In een afgelegen bergdorp, ergens diep in de Kaukasus, omgeven door hoge, witte pieken en donkere bossen, woonde een man genaamd Elias. Op een kwade dag vertrok hij van huis om nooit meer terug te keren. Een reis naar het allerhoogste. Alleen washij zich daar nog niet van bewust.
Elias droeg een versleten bruine leren jas, die losjes om zijn brede schouders hing. Onder de jas droeg hij een eenvoudig geruite hemd, met de mouwen opgestroopt tot zijn ellebogen, wat zijn gespierde armen blootlegde. Verder droeg Elias een stevige donker blauwe spijkerbroek die duidelijke sporen vertoonde van een leven buiten in de natuur. Aan zijn voeten had hij stevige bergschoenen met dikke zolen en van die robuuste, rood-zwarte veters die strak waren vastgebonden. Elias’ donkere haar, lichtjes grijzend aan de slapen, was kort geknipt en zat warrig door de wind. Zijn gezicht was getaand door de zon, met een karakteristiek baardje die zijn kaaklijn accentueerde. Zijn diepgroene ogen straalde een zekere vastberadenheid uit. Over zijn schouder hing een verweerde, bruine rugzak, met zwarte gespen. In een lus aan de zijkant een pikhouweel. De rugzak bevatte een fles water, voedsel en andere benodigdheden voor de eenzame expeditie die hem te wachten stond.
De enige weg uit het dal was een smalle, wankele trap. Elke trede was een waagstuk, en met elke stap leek de trap smaller te worden. Hoe hoger hij kwam, hoe dichter het wolkendek, hoe stiller het werd.
Elias’ vastberadenheid werd zijn gids terwijl hij zijn weg baande door de ijle lucht, kwam hij hoger en hoger. De trap bood een adembenemend uitzicht, maar het gevaar was constant aanwezig. Een stap verkeerd en het was afgelopen. Terwijl hij hoger en hoger klom, groeide bij hem de spanning, zijn handen klemden zich vast aan de stijlen.
Na een vermoeiende beklimming, zijn hart bonzend in zijn keel, bereikte Elias bijna het eind van de ladder. Op dat moment hoorde hij een zacht gesnik. Toen hij omkeek, zag hij een kind, bengelend op een klein plateautje net naast de trap, met diep onder haar het dal. Het kind leek bevroren van angst, te bang om zich te verroeren. Haar ogen waren gevuld met tranen en haar kleine vingers klampten zich vast aan de rand. Elias wilde vanavond al ver het dal uit zijn, maar wist dat hij geen tijd te verliezen had. Met uiterste behoedzaamheid stak hij zijn hand uit naar het kind. Met zachte stem probeerde hij het kind gerust te stellen. Het kind schoof geschrokken naar achteren. Met een laatste inspanning van kracht wist het kind haar hand in die van Elias te leggen. Met een vloeiende beweging tilde hij haar op en hield haar stevig vast.
Terwijl Elias het kind veilig bij zich hield, vervolgde hij het laatste stuk van zijn klim naar boven. Toen hij eindelijk de laatste treden bereikte, stond daar een vrouw te wachten. Haar ogen straalden van dankbaarheid terwijl ze het kind liefdevol omhelsde. De vrouw droeg een dikke, gebreide, wollen olijfgroene trui. Onder deze trui droeg ze een lange, dikke wollen rok die tot aan haar enkels, Haar benen waren bedekt stevige leren laarzen. Haar hoofd was omhuld met een eveneens gebreide olijfgroene muts welke was versierd met een rand van hoekige borduurpatronen
Daar stonden ze, drie figuren, aan het eind van de trap, in de ijle lucht. Een glimlach van voldoening speelde om Elias’ lippen, wetende dat zijn gevaarlijke klim niet alleen het kind had gered, maar ook dal achter zich had gelaten. “Waar komt u vandaan?” verbrak de vrouw de stilte.
Elias strekte z’n arm uit en wees naar de trap. Een vage frons verscheen op zijn gezicht, terwijl de vrouw haar schouders optrok en hem vragend aankeek. “En wat bevindt zich daar beneden?”
Een rimpel trok over Elias’ voorhoofd. “U weet niet wat zich daar beneden bevindt?”

Laat een reactie achter bij Matroos BeekReactie annuleren