Chaim zat op een rots, zijn rug tegen een oude olijfboom geleund, terwijl de zon onderging boven het bergachtige landschap van Zuid-Libanon. Het was stil, op het geritsel van de bladeren en het verre gerommel van artillerievuur na. De nacht zou snel vallen, maar in zijn gedachten was het een stilte die hij al dagen niet meer had gevoeld. Een stilte die hij had gemist.
Hij keek naar de soldaten om hem heen. Jongens van zijn eenheid, sommigen niet ouder dan hijzelf, anderen zelfs jonger. Ze waren moe, bezweet, en onder spanning, maar ze voerden hun plicht uit zonder klagen. Chaim had altijd respect gehad voor zijn kameraden, hun vastberadenheid en moed. Maar hij kon het niet helpen; in hem woedde een conflict dat veel dieper ging dan de oorlog om hen heen.
Chaim was 24, en zoals elke Israëliër had hij zijn dienstplicht vervuld toen hij 18 was. Maar terwijl veel van zijn vrienden hun diensttijd hadden gezien als een noodzakelijk kwaad of zelfs een plicht waar ze trots op waren, voelde Chaim zich altijd anders. Hij had gehoopt dat hij nooit echt zou hoeven vechten, dat zijn land de diplomatieke weg zou inslaan. Maar nu was hij hier, diep in Libanees grondgebied, in een oorlog waar hij nooit in had geloofd.
Zijn hart brak bij de gedachte aan de onschuldige mensen die gevangen zaten in deze eindeloze orgie van geweld. Hij had vrienden die familieleden hadden verloren en hoewel hij zichzelf altijd als een patriottische Israëliër beschouwde, was hij ook een tegenstander van de harde lijn die de huidige regering volgde.
Chaim wilde vrede. Niet alleen voor zijn volk, maar voor iedereen in deze verwoeste regio. Hij geloofde dat er een manier moest zijn om samen te leven, ondanks het bloedvergieten van de afgelopen decennia. Maar de retoriek in Israël was hard geworden. De regering wilde laten zien dat ze sterk was, en dat betekende nog meer militaire operaties, nog meer conflicten. Tegenover Hezbollah in het noorden en Hamas in het zuiden leek er geen einde te komen aan het geweld.
Terwijl hij zijn wapen controleerde, voelde hij de tegenstrijdigheid in zichzelf sterker dan ooit. Hij had gezworen zijn land te verdedigen, maar hij kon zich niet losmaken van het gevoel dat hij bijdroeg aan de cyclus van haat. Hij dacht terug aan de protesten waaraan hij had deelgenomen voordat hij werd opgeroepen voor actieve dienst. Hij was de straten van Tel Aviv op gegaan, hand in hand met duizenden anderen die riepen om vrede, om verzoening. Ze hadden zich uitgesproken tegen de regering van Netanyahu, tegen de uitbreiding van nederzettingen, tegen de militaire acties die alleen maar meer brandstof op het vuur leken te gooien.
Maar die tijd leek nu zo ver weg. Hier, op deze heuvel in Libanon, voelde hij zich gevangen tussen twee werelden: de wereld van de militair die moest vechten voor zijn land en de wereld van de pacifist die hoopte op een betere toekomst.
“Chaim, alles in orde?” vroeg Avi, zijn beste vriend en mede-soldaat, terwijl hij naast hem ging zitten. Chaim knikte, maar zei niets. Hij wist dat Avi het zou begrijpen, zelfs zonder woorden. Ze hadden al vaak genoeg over politiek en vrede gesproken tijdens hun wachtdiensten. Avi was minder uitgesproken dan hij, maar hij was ook niet blind voor de realiteit.
“Ik haat dit,” zei Chaim uiteindelijk, zijn stem laag. “Ik wil dit niet doen, Avi.” Avi zuchtte. “Geen van ons wil dit, man. Maar we zitten hier nu. We moeten elkaar beschermen.”
“Ik weet het,” mompelde Chaim, “maar soms vraag ik me af of we het probleem niet alleen maar erger maken.” Avi zweeg een moment, en keek uit over het landschap. “Misschien,” zei hij uiteindelijk, “maar wat kunnen we doen? We hebben geen keuze.”
Chaim wist dat dat waar was. Ze hadden geen keuze, niet op dit moment. Maar het betekende niet dat hij zich erbij neerlegde. In zijn hart zou hij altijd blijven vechten voor een andere weg, een vreedzame weg.
De volgende ochtend zouden ze weer op pad moeten, terug de dorpen in die gebukt gingen onder de strijd tussen Hezbollah en Israël. Chaim wist dat de gevechten zouden doorgaan, en dat er offers gebracht zouden worden aan beide kanten. Maar zelfs hier, omringd door de geur van oorlog, klampte hij zich vast aan de hoop dat zijn land ooit een ander pad zou kiezen. Er moest toch een andere weg zijn?

Geef een reactie