Ruben’s voetstappen klonken hol op het natte asfalt terwijl hij zich door de verlaten straten rende. De koude regen prikte in zijn gezicht, maar hij merkte het nauwelijks. Allerlei gedachten raasde door zijn hoofd. Wie waren die mensen? Waarom hadden ze hem in de gaten gehoudeb en wat in hemelsnaam betekende dat inktvisje?
De man in het café had iets onheilspellends in zijn ogen gehad, alsof hij een geheim kende dat Ruben niet wilde horen. Ruben’s hart bonsde in zijn keel terwijl hij door een steegje glipte. De donkere, smalle doorgang leek hem te omhelzen, maar hij voelde zich geen moment veilig.
Achter hem klonken voetstappen. Niet de haastige, onregelmatige pas van een dronken passant, maar een gecontroleerde, vaste tred. Iemand volgde hem.
Ruben draaide zich om, zijn adem ging zwaar. Daar, aan de andere kant van de steeg, stond een silhouet. De figuur was gehuld in een lange, donkere jas, het gezicht verborgen onder een kap.
“Wat wil je van me?!” riep Ruben, zijn stem schor.
De figuur antwoordde niet, maar tilde een hand op. Een rode laserstraal verscheen uit het niets en richtte zich op Ruben’s borst. Hij wist niet wat het was, maar elke vezel in zijn lichaam schreeuwde dat hij moest rennen. Hij draaide zich om en zette het op een lopen.
Achter hem klonk een zacht gezoem, alsof de lucht zelf trilde. Ruben wist niet waar hij heen ging, alleen dat hij weg moest. Hij dook een andere steeg in, sprong over een omgevallen vuilnisbak en belandde op een open plein. Het was verlaten, op een enkele lantaarnpaal na die een flikkerend licht op de stenen wierp.
Hij keek om zich heen, naarstig op zoek naar een uitweg. Maar voordat hij kon besluiten welke kant op te gaan, stapte de man met de leren jas uit de schaduwen. Hij stond rechtop, zijn zonnebril was verdwenen, en zijn ogen leken te gloeien in het zwakke licht.
“Je had naar me moeten luisteren, Ruben,” zei hij kil. “Nu is er geen weg meer terug.”
Plotseling voelde Ruben een koude, kille druk in zijn nek. Hij draaide zich om en keek recht in de ogen van een grauw gezicht, met een groot litteken onder zijn linkeroog. Een kleine inktvis was op zijn borst gegraveerd. Met een ijskoude blik keek de man Ruben aan.
“Welkom bij het experiment,” siste de man zachtjes.
De wereld begon te draaien. Ruben voelde een scherpe steek in zijn zij en alles werd zwart.

Geef een reactie