De grauwe stad

Ruben opende zijn ogen met moeite. Het licht deed pijn aan zijn iogen. Zijn hoofd bonkte alsof het in een bankschroef zat, en een ijzige kou kroop door zijn ledematen. Hij lag op een harde, metalen tafel in een kamer die zwak verlicht werd door een enkele, flikkerende tl-buis. De geur van desinfectiemiddel en iets chemisch, metaalachtigs, vulde zijn neusgaten. Hij probeerde overeind te komen, maar zijn polsen en enkels waren vastgebonden met leren riemen. Paniek overspoelde hem. Hij rukte aan de riemen, maar ze gaven geen millimeter mee. Een deur kraakte open. Twee figuren kwamen binnen. De man met het litteken, die Ruben herkende uit de steeg, en een vrouw met kort, rood haar en een opvallend scherpe neus. Ze droeg een witte jas en hield een tablet vast. “Goedemorgen, Ruben,” zei ze met een kalme, bijna zakelijke stem. “Je hebt een onrustige nacht gehad, begrijp ik.” “Wat… wat willen jullie van me?” Ruben’s stem brak halverwege de zin. Zijn keel voelde droog aan, alsof hij dagen niet had gedronken. De vrouw glimlachte, maar het was een koude, welhaast klinische glimlach. “Het gaat niet om wat wij willen. Het gaat om wat jij bent.” “Wat ik ben?” Ruben’s stem trilde, “Ik weet niet waar je het over hebt! Laat me gaan!” De man met het litteken snoof minachtend. “Ze snappen het ook nooit, hè? Maar dat verandert snel.” De vrouw tikte iets op haar tablet en keek Ruben aan, alsof ze hem inschatte. “Je herinnert je niets van… afwijkingen? Ongewone momenten? Zoals die keer dat je bijna werd aangereden en toch op onverklaarbare wijze aan de andere kant van de straat stond?” Ruben’s adem stokte. Hoe wist ze dat? Dat incident had hem jaren achtervolgd, maar hij had het altijd afgedaan als een rare samenloop van omstandigheden. “Jullie zijn gek,” mompelde hij, meer tegen zichzelf dan tegen hen. “Jullie hebben de verkeerde persoon.” De vrouw boog zich naar hem toe. Ze keek hem met priemende ogen aan. “We hebben precies de juiste persoon en ik denk dat je dat echt wel weet.” Voordat Ruben kon antwoorden, drukte de man met het litteken op een knop aan de muur. Een metalen paneel schoof aan de andere kant van de kamer open, en een donker aquariumachtige tank kwam tevoorschijn. In de tank zweefde een wezen. Het leek op een inktvis, maar dan met fluweelzwarte tentakels en ogen die onnatuurlijk helder blauw licht gaven. Het wezen leek te bewegen in reactie op Ruben. Het zwom naar de rand van de tank, alsof het hem observeerde. Ruben voelde een vreemde warmte in zijn borst, alsof iets diep in hem reageerde op het wezen. “Laten we beginnen,” zei de vrouw met een grijns. “Laten we zien hoe speciaal je echt bent.” Ruben schreeuwde het uit en rukte aan zijn riemen. Het licht in de kamer doofde. Het glas van de tank begon met een scheurend geluid te barsten.

3 reacties op “De grauwe stad”

  1. had je nou niet nog even door kunnen schrijven? Pfff wat gebeurt er toch allemaal met Ruben, wat is de reden dat het glas van de tank scheurde, wat, hoe, wie, waarom??????

    1. Volgende week een nieuw hoofdstuk!!

  2. 🙂

Geef een reactie

Ontdek meer van "Het verhaal begint… durf jij verder te lezen?"

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder