Schrijf een verhaal in 300 woorden zonder het gegeven woord te gebruiken, een nieuwe schrijfuitdaging van Geesje!
De duisternis viel over Rotterdam terwijl de stad zuchte onder de bezetting. In een klein kamertje tweede verdieping staken Anna en haar broer Jeroen kaarsen aan om wat licht in de schemer te brengen. Ze hadden hun routine inmiddels omarmd, maar elke avond bracht een nieuwe spanning met zich mee. “Anna, heb je de gordijnen goed dichtgedaan?” vroeg Jeroen terwijl hij voorzichtig naar het raam liep.
“Ja, maak je geen zorgen,” antwoordde Anna, met een bezorgde blik in haar ogen. “We moeten voorzichtig blijven.” Buiten was de stad stil. Het geluid van voetstappen als een strak ritme, doorbrak de stilte. Anna en Jeroen hielden hun adem in, luisterend naar de naderende geluiden. Het klonk als een groep mannen, mogelijk patrouilles. De spanning hing als een onzichtbare dreiging in de lucht.
“Wat hebben ze hier nu te zoeken?” fluisterde Jeroen, zijn stem trilde lichtjes.
“Alles en niets,” antwoordde Anna, terwijl ze haar armen om zichzelf sloeg. “We moeten gewoon rustig blijven en hopen dat ze voorbijgaan.” Plotseling klonk er luid gebons op de deur. Anna verstijfde, haar hartslag versnelde. Zonder een woord te zeggen, legde Jeroen een vinger op zijn lippen en draaide zich om naar de deur.
“Wie is daar?” riep Jeroen.
“Aufmachen!” schreeuwde een man. Jeroen opende de deur op een kier en keek in de ogen van een Duitse soldaat. “Er is hier niemand behalve mijn zus en ik,” zei hij vastberaden.
De soldaat wierp een argwanende blik over Jeroen’s schouder en snuffelde rond. Uiteindelijk trok hij zich terug. ” Blijf binnen en zorg dat je niet buitenkomt!” waarschuwde hij voordat hij verdween in de nacht.
Anna en Jeroen vielen elkaar in de armen, dankbaar voor nog een nacht van veiligheid. Ze wisten dat de angst nooit helemaal zou verdwijnen, maar voor nu waren ze samen en veilig.

Geef een reactie