Het was zomer 1996; de exacte datum weet ik me niet meer. Ik was net een paar jaar afgestudeerd als psychiatrisch verpleegkundige en werkte op een woonafdeling binnen de kliniek voor sociale psychiatrie. Het pand, een statig oud gebouw, droeg op de begane grond nog de kenmerken van de vroegere grote zalen uit de traditionele psychiatrie. Mijn afdeling bevond zich op de eerste verdieping.
Op die bewuste dag stond ik in de medicijnkamer de middagmedicatie voor de bewoners te controleren, toen plotseling een hijgende collega via de gang binnenkwam.
“Jij kunt reanimeren, hè?” vroeg ze, nog hijgend.
“Eh… ja, waarom?”
“Kom mee, snel!”
“Wat is er aan de hand? Je ziet toch dat ik bezig ben?”
“Gerard moet gereanimeerd worden.”
“Gerard? Wat is er met Gerard? Hebben jullie niet iemand die dat kan?”
Hoewel ik de herhalingstraining net gisteren had afgerond, was ik niet direct blij dat ik die kennis meteen moest toepassen. Toch wist ik dat elke seconde telde. Ik liet mijn werkzaamheden liggen, sloot de deur van de medicijnkamer en rende met mijn collega mee naar beneden.
In de eetzaal trof ik een surrealistisch tafereel. Rond vier tafels zaten bewoners en twee collega’s rustig te eten. Bij één tafel lag een stoel schots en scheef, en daarvoor zag ik Gerard half onder de tafel liggen. Hij zag er grauw uit, maar dat was niet ongewoon: Gerard had altijd al een ongezonde teint gehad. Zijn hoofd lag scheef, waardoor ik niet direct kon zien of hij zijn ogen nog open had.
“Fijn dat je er bent!” klonk het vanachter mij, waarna de collega onverstoorbaar verder ging met het helpen van een bewoner. Ik had geen tijd om te reageren. Ik schoof de stoel nog verder opzij en trok Gerard voorzichtig onder de tafel vandaan. Ondertussen sprak ik hem luid toe, maar er kwam geen reactie. Ik schudde aan zijn schouders en haalde de ‘Kiss of Life’ al vast uit de EHBO-koffer.
“Kan iemand me helpen?” riep ik. Karin legde haar vork neer en kwam op haar knieën naast me zitten.
“Wil jij de Kiss of Life doen? Ik kan dat niet,” zuchtte ik.
“Oké, ik help.”
Ik startte met dertig borstcompressies, waarna Karin de twee beademingen uitvoerde. In strak tempo gingen we door, terwijl de lunch om ons heen gewoon verder liep. Minuten voelden als uren totdat ik iets op mijn schouder voelde tikken.
“Broeder, mag ik een sigaretje?” fluisterde een man achter me. Ik draaide me een moment om en keek in de blauwe ogen, het ingevallen gezicht van een oude man.
“Jan, niet nu!” zei ik zacht.
“Hij ademt amper…” zuchtte Karin.
“Blijf volhouden, we hebben geen keuze.”
Gelukkig arriveerden niet veel later de ambulancebroeders. Ze namen de reanimatie over. We waren kapot van inspanning. Ik liep terug naar ons kantoor om alles even alleen te verwerken.
Niet veel later kwam een collega van beneden binnen: “Ik wilde je nog bedanken voor je hulp. Je had het hart weer aan de praat gekregen. In de ambulance kreeg Gerard nog een tweede hartstilstand. Hij is helaas overleden, maar dankzij jullie inzet heeft zijn hart nog even geklopt.”
Ik staarde voor me uit, sprakeloos.

Geef een reactie