Afgelopen weekend een opmerkelijk nieuwsitem bij Studio Sport, Bij PEC debuteerde, in de wedsstrijd tegen Telstar, de jongste eredivisiespeler ooit. Vijftien jaar was de jongen, een ultiem talent. Gedragswetenschapper en emeritus hoogleraar neuropsychologie Jelle Jolles kijkt daar met “een dubbel gevoel” naar.
Ik moet bekennen dat ook ik hier wel met een beetje dubbel gevoel naar keek. Het is ook een onderwerp wat mij al langer bezighoudt, sterker nog ik heb juist over dit onderwerp ooit een artikel geschreven in de Volley Techno, het vakblad voor volleybaltrainers in Nederland en België.
Wij spreken dan over de jaren 90 van de vorige eeuw. Ik was zelf een jaar of 30, en trainer/coach van het eerste team van de vereniging, een damesteam. In dit team een aantal dames van mijn leeftijd, enkele ook ouders, maar in dat team speelde ook twee boomlange meiden. Een meisje was 14, de ander was 15. Beide echt toptalenten. Het meisje van 14, bijna de langste van het team, droeg het team. Na moeilijke pass, kon de spelverdeelster haar altijd aanspelen en loste zijn de problemen op. Over het blok, of gewoon er langs, snoeihard binnen. Ze kon alles. Beide meiden zaten nog op de middelbare school. zaten nog op de middelbare school, hadden toetsweken, schoolexamens, waren voor het eerst verliefd, zaten in een totaal andere fase van hun leven dat veel van hun teamgenootjes. Ik zei vaak gekscherend dat tegen de tijd dat de ene helft van het team naar de kroeg gaan, of hun jongste kind een verhaaltje voorleest, de andere twee na het inpakken van de schooltas naar bed gaan. Zo zwart-wit was het natuurlijk niet, maar het meisje dat zo volwassen, binnen de lijnen, bepaald wat er gebeurd, was ook nog gewoon een kind en moeten kinderen niet ook gewoon een kind kunnen zijn? Kon ik destijds tegen mijn volwassen speelsters wel zeggen dat als het mis gaat, dit meisje het wel kon oplossen. Was die druk om te presteren niet gewoon te veel? Iets anders wat mij, destijds al bezighield was de oudere dames in het team, met elkaar over andere onderwerpen spraken, de eigen kinderen, of de jongste al doorsliep, de problemen op het werk, de partner die even zonder werk zat. Terwijl de meiden het hadden over die leuke jongen uit de andere klas of de toets wiskunde die ze maar niet tussen de oren kregen.
Nu weet ik dat hoogbegaafde kinderen, als hen geen strobreedte in de weggelegd wordt, hun eigen weg gaan. “They march to the beat of their own drums” zeggen ze in Engeland en ik weet, uit eigen ervaring dat dit ook werkelijk zo is. Het probleem is hierbij ook vaak dat deze kinderen wel van alles in de weggelegd wordt en dan heb ik het nog niet eens over de buitenwacht “Doe maar nornaal, dan doe je al gek genoeg!” zeggen wij in Nederland.
Als wij het hebben over hoogbegaafdheid gebruiken wij vaak een platte definitie, waarbinnen dan mogelijk nog wel onderscheid wordt gemaakt tussen verbaal en performaal hoogbegaafd. In de jaren 80 van de vorige eeuw ontwikkelde de Amerikaanse hoogleraar Psychologie Howerd Gardnet zijn theorie over meervoudige intelligentie. Hij onderscheidde 7 vormen van Hoogbegaafdheid, waaronder ook de lichamelijk-kinestische hoogbegaafdheid. Als een kind op zo’n jonge leeftijd al zo goed is dat het zich kan met met volwasseren en daarin wellicht ook nog eens beter is, kan je wel stellen dat het kind op z’n minst talent heeft en wellicht ergens hoogbegaafd is. Met andere woorden, misschien moeten wij deze talenten niet veel in de wegleggen, zich gewoon laten ontplooien, hun eigen gang laten gaan, want vaak weten zij veel beter dan de buitenwacht, wat hun weg is. Sterker nog, misschien is het wel de taak van de buitenwacht of hen uit te dagen, zich verder te ontwikkkelen? Blijft bij mij de vraag of er naast dat talent, die misschien wel hoogbegaafdheid, al dan niet partieel, dan wel meervoudig, niet nog een onderdeel bestaat. Jolles noemde het in eerder genoemd artikel al ‘een kind in de verpakking van een volwassene. Met andere woorden, door het talent, zou je het kind wel eens kunnen overschatten.
“Een kind is in ontwikkeling, moet fouten maken en leren wat de wereld van hem vraagt.”
Wat goed is, komt snel, zeggen trainers vaak. Daar tegenover staat wel dat andere gezegde: “Vroeg rijp, vroeg rot” Het afbreukrisico bij deze kinderen is enorm en wie begeleid heb dan?

Geef een reactie