Hoeveel ik er voor over zou hebben om naar de maan te kunnen gaan? Wat voor vraag is dat? Eerlijk gezegd helemaal niets. De gedachte alleen al, alsof de maan een toeristische attractie wordt. Dat stuit me tegen de borst. Er zijn plekken, op aarde maar dus ook daarbuiten, die je beter ongemoeid laat; plekken die hun eigen stilte en fragiele evenwicht hebben en die door onze aanwezigheid alleen maar verstoord worden.
Het idee dat wij als soort zomaar op een ander hemellichaam kunnen landen en daar onze sporen achterlaten, is van een grenzeloze megalomanie. Miljoenen jaren heeft de maan bestaan zonder ons, en toch stellen we voor die stilte te transformeren tot een verlengstuk van ons verlangen naar bezit. Dat is niet alleen hoogmoedig, het is moreel kortzichtig: wie geeft ons het recht onomkeerbare veranderingen aan te brengen aan iets dat niet van ons is?
Denk aan het Amazonewoud of de Zuidpool; het zijn geen pretparken. Het verschil tussen ontdekken en inpalmen is wezenlijk. Wij helpen onze eigen planeet al naar de verdoemenis; waarom zouden we dat patroon, op een hemellichaam voortzetten?
Als ik hierover nadenk, moet ik ook onwillekeurig denken aan het verhaal over de Toren van Babel. Niet omdat ik in een letterlijke vergelijking geloof, maar omdat het een krachtige metafoor is voor menselijke ambitie die de grenzen van wijsheid overschrijdt en daardoor chaos zaait. Soms is vooruitgang niet het vergroten van bereik maar het verdiepen van begrip; soms is nederigheid geen zwakte maar gewoon strikt noodzakelijk. Laten we eerst maar eens leren zorgen voor wat we al hebben, voordat we naar de maan gaan.

Laat een reactie achter bij RianneReactie annuleren