Zo vlak voor Kerst weer een mooie schrijfuitdaging van Geesje. De WE300, schrijf een verhaal van 300 woorden over één woord, maar gebruik dit woord niet. Ditmaal het woord ‘Rivierbedding.’
Waar het water ooit ging
De jongen liep met zijn hond langs het kronkelende pad, waar het dorre gras plat lag. De zon stond laag en wierp lange schaduwen over de uitgesleten groeven in de aarde. Hier had ooit water gestroomd, dat wist hij zeker. Zijn opa had hem verteld over de dagen dat hij daar ging vissen en kinderen dammen bouwden van keien en takken. Nu was het stil.
Zijn hond snuffelde tussen de stenen, vond niets dan stof. De jongen hurkte neer, raapte een gladde steen op, zo rond als een maan. Hij wreef erover met zijn duim, alsof hij iets kon voelen van wat geweest was. De grond was droog, maar de vorm sprak boekdelen: een kronkel die nergens meer heen ging, waar geen boten meer voeren.
Verderop stond een oude wilg, zijn wortels bloot, net vingers die zich vastklampten aan de grond. De jongen ging zitten onder de boom. Hij sloot zijn ogen en hoorde het stromende water dat er niet meer was. In zijn hoofd stroomde het weer. Kikkers kwaakten, water klotste tegen de oever, stemmen lachten. Hij zag zijn opa weer vissen.
Toen hij zijn ogen opende, zag hij zijn hond met modder aan de poten. Een plas, klein maar echt, glinsterde in een kuil. Hij glimlachte. Misschien was het een begin.
Hij stond op, liep verder, volgde de bocht. De zon zakte, de lucht kleurde rood koper. Hij wist niet waar het eindigde, maar dat maakte niet uit. Er was iets in de vorm van het landschap, in de manier waarop hij het zich herinnerde, dat hem geruststelde.
De hond blafte.. De jongen keek om, knikte. “Kom we gaan terug naar huis” zei hij, samen liepen ze verder, langs het pad waar ooit het water stroomde en de grond nu gort droog was.

Geef een reactie