Ons huis staat op een smalle strook land aan de rand van de zee.
In de zomer ruikt het hier naar zout en wier, en rollen de golven loom tegen de rotsen.
Maar in de winter verandert alles. Dan wordt de zee een witte, onbeweeglijke vlakte die zich uitstrekt tot voorbij wat het oog kan dragen, een landschap dat tegelijk prachtig en onheilspellend is. Het huis kraakt dan in de wind, waardoor wij ons maar al te goed realiseren waar wij wonen.
Ik stond voor het raam, mijn handen rustend op het koude glas.
De zee lag stil, een witte vlakte die zich tot aan de horizon uitstrekte; alles was bevroren. Het was een van die dagen waarop stilte niet geruststelt, maar dreigt.
Zelfs de wind leek te aarzelen om de wereld nog te beroeren.
Toen bewoog het ijs.
Eerst een trilling, nauwelijks zichtbaar, alsof iets onder de oppervlakte wakker werd. Ik hield mijn adem in. Een donkere schaduw gleed onder het ijs, groot, traag, onbegrijpelijk.
En toen, plots, een explosie van water en licht. De staart van een walvis brak door het oppervlak, zwart en glinsterend van ijs, als een herinnering aan iets wat nooit had moeten terugkeren.
Het water spatte op, het ijs brak, en het glas voor me trilde.
Een seconde later vloog het raam uiteen in duizenden scherven die het zonlicht vingen als vallende sterren.
Ik bleef staan, ik bevroor. De kou beet in mijn gezicht; ik kon niet bewegen.
Want in dat ene ogenblik wist ik dat de wereld onder het ijs leeft en we haar niet kunnen negeren.

Geef een reactie