Midden in de nacht werd hij wakker met het gevoel dat er iets ontbrak.
Niet in z’n slaapkamer, daar stond alles waar het hoorde: het nachtkastje, zijn bril, de oplader, op de grond naast z’n bed. Hij miste iets. Hij voelde een leegte, klein maar scherp, alsof iemand een stukje met een scalpel uit zijn geheugen had gesneden.
Hij ging rechtop zitten. En toen zag hij het weer, die wand. Niet de muur tegenover hem, maar in zijn hoofd: een enorme fotowand, meters breed, badend in koel blauw licht. Foto’s in verschillende formaten, sommige oud en vergeeld, andere recent en helder. Zijn vrouw, zijn kinderen, zijn kleinkinderen, zijn ouders, zijn broer en zus maar ook vrienden van vroeger. collega’s, mensen die hem hadden gevormd, gekwetst, gedragen, verrast. Ze stonden allemaal op die wand, maar midden op die fotowand was een lege plek. Een lege plek waar gisteren nog een foto had gehangen. Hij wist het zeker, maar wiens foto had daar gehangen?
Hij kneep zijn ogen dicht. Probeerde die na te denken, wie daar hoorde te hangen. Een gezicht, een naam, een stem. Niets. Het was alsof zijn brein een deur had dichtgetrokken en de sleutel had weggegooid. Hoe kon hij dat nu zo vergeten zijn. Hij stond op, liep naar de badkamer en keek in de spiegel. Zijn eigen gezicht herkende hij gelukkig nog. Dat was iets. Hij moest ook niet overdrijven, vond hij. Als hij zich niet meer kon herinneren wiens foto daar nu had gehangen, was het vast en zeker niet belangrijk genoeg om te onthouden. Soms moest hij ook gewoon mensen kunnen vergeten.
Een aantal dagen erna gebeurde het opnieuw. Weer was er een foto verdwenen en met de foto de persoon. Hij kon ze niet meer herinneren, niet meer plaatsen, niet meer herkennen. Zelfs als hij ze tegenkwam, kon het gebeuren dat hij niets voelde. Geen vonk van herkenning, geen ongemak. Alleen maar leegte.
Hij bladerde door oude fotoalbums. Soms zag hij iemand staan die hij niet kende, terwijl zijn vrouw zei dat het een goede vriend was geweest. Soms herkende hij iemand nog wel, maar voelde hij dat hun foto op de wand flikkerde, alsof die elk moment kon verdwijnen. Dit was geen toeval. Hier was iets aan de hand, iets in zijn hoofd en toen ontdekte hij dat hij invloed had.
Het gebeurde op een avond toen hij in bed lag, de kamer donker, het was stil in huis. Hij probeerde zich de wand van de foto’s voor de geest te halen. Hij voelde een vreemde spanning, alsof de foto’s niet alleen herinneringen waren.
Hij probeerde zijn aandacht te richten op een foto van een oude klasgenoot. Iemand die hij al jaren niet meer had gesproken. Iemand die hem ooit had verraden, al wist hij niet meer precies hoe.
De foto trilde. Hij schrok, maar hield zijn aandacht erop gericht. De foto loste op. Werd transparant en verdween. Hij voelde het onmiddellijk: een leegte, maar ook een opluchting. Een last minder. Een draad doorgeknipt. Hij had dit gedaan. Het leek wel alsof hij kon kiezen wie hij vergat, alsof hij kon werken aan een selectief geheugen.
Het begon met die hij liever kwijt dan rijk was, met mensen die hij toch al bijna kwijt was. Vage kennissen. Collega’s die hem weinig deden. Namen die ooit belangrijk waren geweest, maar nog slechts ruis vormden. Elke keer dat hij iemand liet verdwijnen, voelde hij een vreemde helderheid. Alsof zijn hoofd opgeruimd werd. Alsof hij dichter bij iets kwam, een kern, een waarheid, een rustpunt. De wand werd steeds leger en de keuzes moeilijker. Zijn broer. Zijn beste vriend. Zijn dochter. Zijn vrouw. Hij realiseerde zich dat als hij ze gewist had, hij ze ook nooit meer zou herinneren. Hij was ze daarna voor altijd kwijt. Hij zou nooit meer aan hen denken, niet aan de slechte momenten maar hij zou ook de mooie herinneren kwijt zijn.
Hun foto’s hingen nog stevig, maar hij voelde dat hij dichterbij kwam. Het systeem hem dreef naar een eindpunt. Alsof de wand niet bedoeld was om gevuld te blijven, maar om langzaam te worden gestript tot er nog maar één foto over was, maar wie zou dat zijn? Wie wilde hij het langst blijven herinneren en belangrijker nog waarom?
Die laatste avond was hij alleen. Hij zat op de rand van zijn bed. Het was stil in huis, het enige wat je kon horen was een tikkende klok. De wand in zijn hoofd was bijna leeg. Slechts een handvol foto’s hing nog. Mensen die hem lief waren. Mensen die hij niet kon missen. Toch moest hij keuzes maken
Hij keek naar de foto’s. Eén ervan trilde al, alsof die wist dat hij eraan dacht. Hij ademde diep in. Toen hoorde hij een geluid achter zich. Een zachte voetstap. Een stem die zijn naam fluisterde, warm, bekend, maar hij kon niet plaatsen van wie. Hij draaide zich langzaam om.

Geef een reactie