Daar zat Hendrik, met de afstandsbediening in zijn hand. Het zwarte kastje voelde zwaarder dan het eruitzag. Dit ding, daarvan was hij overtuigd, was de oplossing. Hiermee kon hij de geschiedenis herschrijven. De kans om eindelijk iemand te zijn. Hoe precies, dat wist hij niet. Hij wist niet eens waar al die knoppen voor dienden. Laat staan hoe hij vanuit het verleden ooit weer terug moest komen naar het heden.
Die onzekerheid vrat aan hem. Het was dezelfde onzekerheid die hem zijn hele leven al had tegengehouden. Nooit eens echt ergens voor gaan, altijd beren op de weg zien. Maar nu, nu het nog kon, moest hij springen. Al was het in het diepe.
Hij ademde diep in, kneep zijn ogen dicht en drukte op de toets met het pijltje.
De kamer kantelde. Alles begon te draaien, sneller en sneller, alsof hij in een draaikolk werd gezogen. Hij werd tegen de leuning van de bank gedrukt, zijn maag trok samen. Toen het draaien eindelijk vertraagde en tot stilstand kwam, voelde hij de ruwe bast van een boom in zijn rug. Hij opende zijn ogen.
Hij zat tegen een boom aan de rand van een uitgestrekt heideveld. De lucht rook naar vochtige aarde, hars en houtrook. Geen auto’s, geen huizen, geen vliegtuig in de lucht, onderweg naar Schiphol. Alleen wind die door het gras streek, het roepen van kraaien… en in de verte een donkere rookwolk.
Hendrik probeerde op te staan, maar zijn benen voelden week. Hij moest zich tegen de boom afzetten. Zijn maag keerde zich om en hij boog voorover. Alles kwam eruit. Hij veegde zijn mond af met zijn mouw en keek hijgend om zich heen.
Daar lag het kastje, op zijn kop in het gras. Hij raapte het op en voelde een steek van paniek. Als dit ding kapot was, zat hij hier vast.
Hij keek opnieuw naar de rookwolk, die dichterbij leek te komen. Op dat moment hoorde hij stemmen, geroep, het gekletter van metalen voorwerpen. Hendrik liep voorzichtig naar een kleine verhoging in het landschap en keek eroverheen. Daar lag een legerkamp, zoals hij die kende van de oude schoolplaat die bij hem in de klas hing.
Tenten van beige linnen stonden in rijen opgesteld. Mannen liepen rond in wambuis en pofbroeken, sommigen met leren kurassen, anderen met metalen borstplaten die dof glansden in het zonlicht. De meesten droegen wollen kousen en zware schoenen met gespen. Hun haar was lang of in een staart gebonden, sommigen hadden ruige baarden. Overal stonden houten karren, stapels tonnen en rekken met pieken en musketten.
De geur van het kamp was overweldigend: rook van kampvuren, zweet, nat leer, paardenmest en iets wat leek op gestoofde granen. Een paar soldaten zaten rond een ketel waarin een dikke pap pruttelde. Een ander was bezig een stuk brood te snijden dat eruitzag alsof het een week oud was.
Hendrik keek naar zichzelf. Spijkerbroek. Sneakers. Een hoodie. Hij vloekte zacht. Hij zag eruit alsof hij uit een andere wereld kwam, wat natuurlijk ook zo was. Terwijl hij nog stond te kijken, struikelde een jonge soldaat bijna tegen hem aan. De jongen keek hem verbaasd aan.
“Wat draag jij in ’s hemelsnaam?” vroeg hij, terwijl hij Hendriks hoodie tussen duim en wijsvinger optilde alsof het een vreemd dier was. Hendrik slikte.
“Eh… nieuwe stof. Uit het oosten.” De jongen knikte langzaam, alsof hij het niet begreep maar ook geen tijd had om erover na te denken.
“Ben jij de boodschapper, heb je nieuws? Je ziet er beroerd uit.”
“Ja,” zei Hendrik. “Dat klopt.”
Voor hij het wist, liep hij tussen de soldaten door, het kamp in. Mannen keken hem na, sommigen fluisterden. Een oudere soldaat tikte tegen zijn helm en mompelde wat.
Hendrik kreeg een verzegelde brief in zijn handen gedrukt. De bevelhebber, een man met een imposante snor en een mantel van donkerblauw laken, legde hem kort uit wat hij moest doen. Een waarschuwing moest naar de voorhoede: vijandelijke troepen probeerden een flank af te snijden.
Hendrik voelde zijn hart bonzen. Hij kende deze slag. De Slag bij Nieuwpoort. De Republiek won, maar ternauwernood. Als dit bericht te laat kwam…
Hij keek naar het kastje in zijn hand. Eén druk op de knop en hij was weg. Maar hij keek ook naar de brief. Naar de soldaten die hem verwachtingsvol aankeken. Voor het eerst in zijn leven voelde hij dat hij ertoe deed. Dat hij iets kon veranderen.
Hij rende, zo hard zijn oude benen het konden dragen. Door het veld, langs de duinen, over smalle zandpaden. Zijn moderne schoenen gaven hem een voorsprong; hij was sneller dan elke boodschapper uit deze tijd. Hij leverde het bericht af en door zijn komst, zijn onverwachte, onverklaarbare verschijning, werd het leger net iets anders opgesteld. Een regiment werd verplaatst. Een aanval werd eerder ingezet. De slag verliep niet zoals later in de geschiedenisboeken was beschreven.
De Republiek won overtuigender. In de chaos van de overwinning werd een naam genoteerd: Hendrik van der Meer, held van Nieuwpoort.
Toen Hendrik later alleen aan de rand van het slagveld stond, keek hij naar het kastje. Zijn handen trilden. Wat had hij gedaan? Wat zou dit betekenen voor zijn eigen bestaan? Voor zijn familie? Voor de wereld? Hij haalde diep adem en keek naar het kastje in zijn hand. Hij moest hier weg!

Geef een reactie