Ik sprak laatst, in de trein, een oude bekende, een oud‑teamgenoot. “Ben ik toch blij dat mijn kind niet volleybalt!” zei hij. “Het zou voor mij veel te lastig zijn om mijn nooit behaalde, gedroomde, successen als topvolleyballer op hem te projecteren.”
Iedereen wil natuurlijk het beste voor zijn of haar kind. Daar is niets mis mee. Toch kom je ze vast ook tegen: ouders die in hun kind de nieuwe Messi zien, of welke topsporter of topartiest dan ook. Niet zelden ter compensatie van de eigen gemiste kansen. Steeds vaker wordt een kind gezien als een project en een project dat moet slagen.
Vroeger zeiden ouders: ‘Als je maar gelukkig wordt.’ In onze prestatiemaatschappij klinkt het steeds vaker: ‘Als je maar presteert!’ Je moet eruit halen wat erin zit. Ouders die vroeger te horen kregen dat ze vooral gelukkig moesten worden, merken soms later dat ze er niet alles uit hebben gehaald. En dan is het toch fantastisch als jouw zoon wél piloot wordt? Of profvoetballer? Of pianist? Daar doe je alles voor.
Kinderen gaan op voetbalkamp, keepersschool, trainingskamp, muziekles, bijles. Vader staat wekelijks, soms dagelijk, langs de lijn om de verrichtingen van zoonlief te volgen en wee je gebeente als iets het projectplan in de weg staat.
Maar wat als je kind niet slaagt in het realiseren van jouw droom? De druk van ouders kan enorm zijn. Ze zitten er bovenop, bemoeien zich met alles wat het kind doet, overtuigd dat zij het beste weten wat goed is. We kennen de voorbeelden uit de tenniswereld: de vaders van Agassi, van Krajicek. In elke sport kom je ze tegen.
Hoe goed bedoeld ook, als ouder ben je belangrijk voor je sportende kind — maar als je hem voortdurend drilt en zijn keuzes bepaalt, is dat niet houdbaar. De kans dat je kind op een dag teleurgesteld afhaakt, is groot.
Voor jonge kinderen ben jij vaak degene die ze brengt en haalt. Soms ben je zelfs coach of op een andere manier betrokken bij de club. Op die leeftijd bepaal je veel. Maar naarmate ze ouder worden, worden kinderen zelfstandiger. Vrienden worden belangrijker, en jouw rol verschuift naar de achtergrond. Soms vindt je zoon of dochter het helemaal niet fijn dat jij langs de lijn staat.
De rol van de trainer‑coach wordt dan belangrijker. Voor een kind, jong of oud, is het essentieel dat jij trots op hem of haar bent, ongeacht het resultaat. Jij bent meestal niet de trainer, dus laat wedstrijdbesprekingen en aanwijzingen vooral aan degene die daarvoor is aangesteld.
Een belangrijke taak voor ouders is het benadrukken van plezier. Natuurlijk mag je praten over doorzetten en niet opgeven, maar het wedstrijdresultaat is zó relatief. Wees tijdens de wedstrijd supporter, niet alleen van je eigen kind, maar van het hele team.
Heb het na afloop over het plezier, niet over de uitslag. Focus bij een verloren wedstrijd juist op wat wél goed ging. Laat de verbeterpunten aan de trainer. Beloon niet het resultaat, maar de manier waarop je kind gespeeld heeft.
“Ik ben eigenlijk gewoon zijn supporter,” zei mijn oud‑teamgenoot glimlachend. “De man met een seizoenkaart voor het leven. Van dat voetbal heb ik toch geen verstand.” Zijn lach wekte onze medereizigers in de stiltecoupé en ik dacht: zo hoort het eigenlijk ook.

Geef een reactie