Ik schreef al eerder dat ik oprecht nieuwsgierig ben. In dat licht moeten jullie ook de brief die ik Lukas Yoder schreef zien. Geen e‑mail, geen haast, maar een zorgvuldig geformuleerde uitnodiging waarin ik vertelde hoe zijn romans mij hadden geraakt en hoe graag ik met hem wilde spreken over het schrijverschap. Een week later lag er een envelop op mijn deurmat. Zijn handschrift was klein en precies. “Je bent van harte welkom Bert. Kom tegen de schemering,” stond er. “Dan is het land op zijn mooist.”
Die avond liep ik het pad naar zijn huis op. De lucht boven Grenzler was zacht en blauwgrijs. Yoder stond al buiten, leunend tegen de veranda, alsof hij me niet wilde laten zoeken. “Je hebt de weg gevonden,” zei hij. “Uw brief was duidelijk,” antwoordde ik. Hij glimlachte kort. “Kom binnen. We eten eenvoudig, maar goed.”
Binnen rook het naar hout en brood. De tafel was sober gedekt: aardewerk, een stoofpot, water in een karaf. Hij wees naar de stoel tegenover hem. “Vertel,” zei hij terwijl hij het brood sneed. “Waarom wilde je met mij dineren?” “Omdat ik wil begrijpen hoe een schrijver kijkt,” zei ik. “Hoe een verhaal begint, hoe het groeit.” Hij knikte langzaam, alsof hij de woorden proefde. “Dan moeten we beginnen bij stilte.”
We aten, en terwijl de stoofpot dampte, vertelde hij hoe een boek bij hem ontstaat. “Het begint nooit met een plot,” zei hij. “Altijd met een landschap. Je moet weten hoe de wind door een vallei gaat voordat je kunt bedenken wie er woont.” “Dus de wereld komt eerst?” vroeg ik. “Altijd. De mensen zijn pas later bereid zich te laten zien.”
Ik vroeg hem naar discipline, naar de eenzaamheid van schrijven. “Is het zwaar?” Hij keek naar zijn handen, naar de lijnen die het werk van jaren droegen. “Schrijven is luisteren,” zei hij. “Naar wat er nog niet is. Soms fluistert het. Soms zwijgt het wekenlang.” “En dan?” “Dan werk je toch. De stilte zegt ook iets.”
Na het eten schonk hij water bij en leunde achterover. “Je wilt vast weten hoe het voelt wanneer een boek verschijnt,” zei hij. Ik knikte. “Alsof je iemand hebt losgelaten,” zei hij. “Je hoopt dat de wereld zacht genoeg is. Maar je hebt geen invloed meer.” “Is dat moeilijk?” “Absoluut, ik vond dat enorm moeilijk, maar het is ook eerlijk,” antwoordde hij. “Een boek dat blijft, blijft niet door de schrijver. Het blijft door de lezer.”
We spraken over uitgevers, over deadlines, over redacteurs, over lezers die verwachtingen hebben. “Hoe ga je daarmee om?” vroeg ik. Hij haalde zijn schouders op. “Ik schrijf voor het verhaal. Niet voor de markt. Als het verhaal goed is, vindt het zijn weg.”
De avond viel langzaam. Buiten werd het veld donkerder, alsof het zich terugtrok in de nacht. “Grenzler verandert niet snel,” zei hij terwijl hij naar buiten keek. “Is dat waarom je hier blijft?” “Ja. Een schrijver moet ergens wortel schieten. Dit is mijn grond.”
Toen ik vertrok, begeleidde hij me tot aan het pad. Geen groot gebaar, geen plechtigheid. Alleen een hand op mijn schouder, licht en kort. “Blijf schrijven Bert,” zei hij. “Niet om gelezen te worden, maar om te begrijpen wat je ziet.”
Ik liep weg, het huis achter me een stille vlek in het landschap en ik wist: dit diner was geen ontmoeting met een schrijver alleen, maar met een manier van kijken.

Lukas Yoder is de hoofdpersoon in De Roman, de roman van James Michener, waarin Michener het proces van het ontstaan van een roman beschrijft vanuit de invalshoek van de schrijver, de uitgever, de recensent en de lezer. Het is een roman over de geboorte van een roman.
Geef een reactie