Plotseling stonden ze daar, Clemens en zijn vrienden John en Jesse. Henk stond aan de grond genageld van schrik. Clemens keek hem glimlachend aan.
‘Lang niet gezien Henk, ik heb je gemist’ zei Clemens.
‘Eh, ja, klopt’ hakkelt Henk.
‘Ontloop je mij een beetje?’ vroeg Clemens, terwijl hij langzaam naar Henk toeliep.
Henk deed voorzichtig een stap naar achteren en keek ondertussen naar waar hij zijn fiets gelaten had. Henk zag ‘m naast het betonpleintje, achter Clemens liggen. Hij deed een stap opzij, maar de jongen die naast Clemens liep deed ook een stap opzij. De tijd kroop. Het zweet brak Henk uit. Dan draaide zich om een zette het op een lopen. Zonder om te kijken rende hij tussen de bomen, langs de basisschool. Hij rende de longen uit z’n lijf. Tussen de schuren door, de straat over, het woonerf in. Bij de vijver, langs het spoor, stopte hij even. Daar durft hij eindelijk even om te kijken. Het was stil. Het begon zachtjes te sneeuwen. Henk liep nu wat rustiger.
‘Waarom moeten ze mij altijd hebben?’ zei Henk zachtjes.
‘Daar loopt ie’ hoorde Henk achter zich.
Bij het bruggetje, in de verte zag Henk de jongens lopen. Henk rende snel een steegje in. Aan het eind kwam hij uit bij de Ringvaart, een breed water, dat om de polder heen liep. De vaart was breed en diep genoeg om er grote boten doorheen te laten varen. Aan de andere kant lagen de Vilters, een braakliggend bouwterrein, waarop enkele leegstaande boerderijen stonde. Als hij daar kan komen, zouden ze hem niet meer vinden. Op de vaart lag ijs. Henk vroeg zich af of het ijs al hield. Het vroor al een paar dagen en sinds eergisteren kwam het kwik overdag niet boven nul. Er lag een dun laagje sneeuw waardoor hij niet goed kan zien hoe dik het ijs was.
‘Dáár’ hoorde hij schreeuwen.
Geschrokken draait hij zich om. Aan het begin van de steeg, zag hij Clemens. Ze hadden hem ontdekt. Henk moest nu snel denken. Terug de steeg in was geen optie, dan liep hij Clemens en z’n vrienden in de armen. Als hij op de Vilters was, had hij nog een kans, maar dan moest hij wel over de vaart zien te komen. Voorzichtig zette hij zijn rechtervoet op het ijs. Het hield. Nu zetet hij ook langzaam zijn linkervoet op het ijs. Het ijs leek stevig genoeg. Hij keek nog even om. De jongens kwamen nu snel dichterbij. Zonder verder om te kijken liep hij door, de vaart over. Henk was halverwege toen Clemens en z’n vrienden bij de Ringvaart aankomen.
‘Hij spoort echt niet’ zei Jesse.
‘Nee, zeg, wie gaat nu het ijs op? Dat houdt nooit. Het ijs is veel te dun. Vorig weekend voeren er nog boten’ reageerde Clemens.
Henk keek niet op of om, hij liep door. Hij was bijna aan de overkant en dan was hij ze kwijt. Opeens begon het ijs te kraken. Onder hem verscheen een verticale scheur, die precies tussen z’n benen doorliep. Henk schrok zich dood en wilde hard doorlopen. De jongens aan de kant keken ademloos toe. Plotseling maakte het ijs een enorm lawaai en zakte Henk door het ijs. In een reflex sloeg hij met z’n beide armen op het ijs.
‘Help!!!’ schreeuwde hij.
Henk spartelde, hij probeert zich op te drukken op de rand van het ijs, maar het ijs brokkelt onder zijn armen af. Henk schreeuwde zo hard hij kon, maar zijn schreeuw verdween in het niets doordat hij water binnen krijgt. De jongens aan de kant keken geschrokken toe.
‘John, jij rent naar Van Essen, je weet wel van school. Hij woont hierachter op nummer 62.
Vertel hem dat Henk in de vaart ligt en laat hem 112 bellen. Daarna moet je terugkomen,
versta je me?’ deelde Clemens de commando’s uit.
John draait zich om en rende vliegensvlug weg.
‘Henk, houd je rustig!’ schreeuwt Clemens naar Henk ‘Er is hulp onderweg’.
Direct stapte Clemens het ijs op, om op het ijs tijgerend verder te gaan.
De derde jongen bleef stokstijf staan.
‘Kom me verdomme helpen lul’ schreeuwde Clemens. Jesse leek even te twijfelen, maar stapte dan ook op het ijs.
‘Plat op je buik of wil je soms ook door het ijs zakken?’ snauwde Clemens.
Het lukte Henk om beide armen op een wat steviger stuk ijs te leggen. Hij legde zijn armen breed op het ijs en probeerde zo min mogelijk te bewegen. Hierdoor kreeg hij het nu wel stervenskoud. Hij begon te klappertanden. Clemens tijgerde langzaam richting Henk. Hij bleef tegen Henk praten.
‘Wie is daar?’ riep Henk, die niet precies meer meekreeg wat er gebeurde.
‘Ik ben hier Henk’ zei Clemens, die nu vlak bij Henk was.
‘Clemens!’ schreeuwde John, die terug was gekomen met Van Essen ‘De ambulance komt er aan!’
Van Essen had een ladder bij zich, die hij op de kant helemaal uitschoof. Voorzichtig schoof hij de ladder op het ijs. Het laatste stukje van de ladder liet hij op de kant liggen. Langzaam kroop Van Essen hij over de ladder richting Jesse.
‘Pak mijn voet’ riep Clemens tegen Jesse ‘en blijf plat liggen’.
Jesse pakte plichtsgetrouw, zonder iets te zeggen, de voeten van Clemens.
‘Doe maar rustig’ hoorde Jesse achter zich.
Van Essen was tot vlak achter hem gekomen en pakte, liggend op de ladder, zijn voeten.
‘Henk, kan je proberen mijn handen te pakken?’ vroeg Clemens. Henk probeerde de hand van Clemens te pakken, maar hij kon er net niet bij.

Geef een reactie