Op weg naar school, op het fietspad langs het kanaal, was zijn tas door iemand, die hij niet eens kende, van zijn bagagedrager afgetrapt. Vlak voor het schoolplein stapte hij af. Bij het pad, tussen de oude barakken, richting de fietsenstalling zaten een aantal jongens uit de 4e op het metalen hek. Ze moesten lachen toen Bryan tussen hen doorliep, maar dit keer lieten zij hem met rust.
Iedereen zat al in de klas. De docent geschiedenis stond nog in de gang met een collega te praten. Bryan hing snel zijn jas op en liep de klas in. Er brak een enorm gejoel uit.
“Homo, homo, homo” werd er geroepen.
Op het schoolbord stond met koeienletters ‘Bryan is een kontenneuker!!’ Mijnheer De Haan, de geschiedenisleraar, wist niet hoe snel hij naar zijn klas moest lopen. Toen hij binnen kwam bleef hij, met de rug naar de klas, voor de klas staan. Zonder zich ook maar om te draaien riep hij, zo hard dat ze het in het hoofdgebouw gehoord moeten hebben: “Kooistra, bord schoonmaken en daarna mag jij je melden bij Veneman!!”
Kooistra kwam niet in beweging. Mijnheer De Haan had ook geen autoriteit. Het was een bevlogen man, iemand die mooi kon vertellen. Iemand die er ooit vanuit was gegaan dat iedereen geschiedenis leuk vond. Inmiddels was hij wijzer, cynischer ook en wist hij dat er een groep leerlingen was dat niet naar school kwam om ook maar iets te leren en al helemaal niet om naar zijn verhalen te luisteren. Bryan was een van de weinigen die zijn verhalen wel mooi vond en daarin stond hij alleen. Hij werd daarmee ook gepest. Hij was te serieus, hield van ouderwetse muziek en van verhalen van vroeger. Hij had ook zijn agenda niet vol staan met foto’s met vrouwenborsten en deed niet mee met het publiekelijk beoordelen van meisjes en dat nafluiten vond hij echt onbeschoft. Bryan was een vreemde.
Zijn middelbare schooltijd was geen fijne tijd. Elke dag fietste hij kilometers om. Hij deed alles om zijn klasgenoten te ontlopen. Soms verliep dat minder goed, stonden ze hem ergens op te wachten en het minste dat dan kon gebeuren was dat ze zijn schooltas van de bagagedrager aftrapte, waardoor zijn thermosfles weer eens sneuvelde. Zijn vader was al een aantal keren op school geweest om er over te praten, maar dat werkte averechts. Niets bleef geheim. Hij moest er maar boven staan, zich er niets van aantrekken, vonden zijn ouders. Hij was alleen.
Dit was een impressie van mijn middelbare schooltijd. Ik heb de middelbare schooltijd niet als erg fijn ervaren. Ik voelde mij, zoals de hoofdpersoon in bovenstaand verhaal, erg alleen. Ik was dan ook blij toen ik deze periode achter mij kon laten. Toch heeft deze fase een enorme impact gehad op wie ik ben, waar ik voor sta. Ik houd mij al jaren beroepsmatig bezig met de sociale veiligheid op de werkvloer. Niemand, maar dan ook echt helemaal niemand heeft het recht om een ander buiten te sluiten, te pesten, te intimideren, te discrimineren. Voor mij was tijdens mij middelbare schooltijd de sportvereniging een veilige haven. Dat ik jaren later juist hierover een boek heb geschreven kwam doordat ik lang het idee had dat op de plek waar iedereen kan doen wat hij of zij leuk vind, namelijk met je hobby, niet gepest, gediscrimineerd, mensen niet geintimideerd werden. Dit bleek een enorme misrekening. Bovenstaande tekst komt uit het manuscript van mijn tweede boek. Dit is wat feitelijk gebeurd is en dan viel dit nog mee.

Geef een reactie