De grot

Elias, enigszins gerustgesteld door de lach op het gezicht van de man, staarde hem verbaasd aan. Zijn handen hingen onzeker langs zijn lichaam. Hij schudde zijn hoofd. Woorden kwamen als vreemde flarden uit zijn mond. De man haalde zijn schouders op. Hij keek z’n metgezel aan, die er al even weinig van begreep.

Ze keken elkaar wat ongemakkelijk aan. Toch was er een onuitgesproken nieuwsgierigheid in hun ogen, een wil om te begrijpen. De mannen keken elkaar aan. Elias, die vroeger wat Engelse woorden had geleerd.
“I am Elias!” bracht hij er langzaam uit.
De man begon te lachen.
“Hi Elias, my name is Yitzhak. What are you doing here Elias?”
Elias keek om zich heen, “I don’t know.” De man leek dat niet direct te geloven en keek zijn vriend even aan.
“I don’t believe it! What are you doing here?” Elias schrok van de plotseling scherpe toon waarmee dit gezegd werd. Hij wist ook even niet wat hij moest zeggen. Hoe leg je uit dat je, na een ruzie, van huis weg bent gelopen en niet meer terug kan?
“Do you know the Sylphirex?” wilde de man weten. Elias keek de man vragend aan.
“I’ve never heard of Sylphirex, who is Sylphirex?” Er viel een stilte. Buiten begon het weer te waaien.
“It’s good that you don’t know Sylphirex!”
“But who’s Sylphirex?” wilde Elias nu wel weten? Waarom al die vragen?
“We don’t know him either, but we do know that he is life-threatening.”
De andere man, die het gesprek van een afstandje had gevolgd stond op en liep naar de uitgang van de grot. Hij zei fluisterde iets in het oor van zijn vriend en liep langs de richel de grot uit. De man met wie Elias kort gesproken was keek hem nog een moment aan, stond op en liep ook de grot uit. Elias was weer alleen. Hij durfde niet direct op te staan om te zien of de mannen ook doorgelopen waren.

De wind had de wolken inmiddels volledig verdreven en vanuit de grot had Elias nu een magnifiek uitzicht, witte bergtoppen, zo ver hij kon kijken. De hele dag bleef Elias zitten bij de ingang van de grot.

Het zonlicht danste speels over de bergflanken, een schitterend schouwspel van licht en schaduw. Af en toe dreven zachte, witte wolken voorbij, als pluizige schapen op een serene blauwe weide. Ze wierpen hun schaduw op de groene valleien en lieten een zacht spel van veranderende patronen achter. In de verte glinsterde een kabbelende rivier als een zilveren lint, meanderend, door het dal. Het geheel vormde een schilderachtig tafereel, een harmonieus samenspel van natuurlijke elementen. Langzaam verdween de zon achter de horizon, de lucht werd oranje- rood en snel werd het donker. Het voelde ook direct kouder aan. Elias kroop wat verder de grot in legde zijn hoofd op zijn rugzak, maar kon de slaap niet vatten. Hij kon de gedachte aan het gesprek met de man niet los laten.

Één reactie op “De grot”

  1. Mooi, ik ben benieuwd of de mannen nog terug komen.

Geef een reactie