“Kan jij je haren niet uit het doucheputje halen?”
“Daar zitten geen haren in.”
“Nou dan moet jij eens goed kijken. Misschien gewoon een bril opzetten?”
“Wie zegt dat het mijn haren zijn?”
“Er is hier in huis maar één iemand met grijze haren. Als jij mij niet gelooft, ga dan maar eens goed kijken en ruim je eigen rotzooi op. Dat hoef ik niet iedere keer voor jou te doen. Wanneer word jij eens volwassen?” foetert
Peter knijpt zijn ogen tot spleetjes en kijkt naar Gerda. Zijn hart bonkt in zijn borstkas als hij langzaam opstaat. Hij ademt diep in en loopt naar de trap, die als een eindeloze afgrond voor hem lijkt te liggen. Boven aangekomen is hij buiten adem. De warme, vochtige lucht van de badkamer slaat hem in het gezicht als hij de deur opent. Hij zucht zwaar, schuifelt naar het putje, en veegt met trillende hand door het schuim. Zijn vingers vangen drie grijze haren. Zijn ogen vullen zich met tranen. In een roes loopt hij naar de prullenbak en schudt de haren eraf.
Hij hoort Gerda beneden rommelen, maar dan wordt het stil. Moeizaam trekt hij de deur van de werkkamer achter zich dicht. Hij staat in de duisternis en luistert naar zijn eigen ademhaling, die galmt in zijn oren. De muren van de kamer lijken op hem af te komen, verstikkend. Hij opent de deur op een kier en luistert. Het blijft stil. Langzaam loopt hij de trap af, voelt de kilte van de treden onder zijn voeten. Beneden aangekomen controleert hij de achterdeur. Op slot.
“Waarom moet altijd de deur op slot?” mompelt hij, terwijl hij aan tafel gaat zitten. De tafel van Gerda. Alles in huis was van Gerda. Hij staart naar het donkere eikenhout, voelt de woede in hem opborrelen. Tranen prikken in zijn ogen, rollen langzaam over zijn wangen en vallen op het tafelblad.
“Ik heb hier geen zin meer in,” fluistert hij tegen zichzelf.
Ondertussen is Gerda onderweg naar Utrecht, naar een vergadering van de vereniging voor psychotherapeuten. Haar gedachten dwalen af naar Peter. Ze zucht diep. “Soms is hij net een kind,” mompelt ze. Ze kijkt in de binnenspiegel, zonder echt iets te zien. “Ik zal het straks eens met de collega’s bespreken.”
Een claxon brengt haar terug naar de realiteit. Een auto scheert langs haar, de bestuurder tikt boos met zijn wijsvinger op zijn voorhoofd. Gerda schudt haar hoofd en focust zich weer op de weg. Bij de Jaarbeurs aangekomen, schrikt ze van haar eigen afwezigheid.
“Ben ik er nu al?” fluistert ze, terwijl ze de parkeerplaats opdraait.
Het is al donker als Gerda bij Almelo de snelweg afrijdt. Ze denkt terug aan de vergadering. Het was goed geweest om haar ei kwijt te kunnen. Ze draait de parkeerplaats achter het huis op, de lamp aan de gevel springt aan. Ze stapt uit en kijkt even in de schuur. De fiets van Peter is weg.
“Hij zal toch niet nú nog de boodschappen aan het doen zijn?” mompelt ze.
Binnen zet ze haar tas op de eettafel en bladert routinematig door de post. Nadat ze de waterkoker heeft aangezet, loopt ze naar de hal om haar jas op te hangen. Als ze even later het hete water in de theepot schenkt, ziet ze Peters bril naast de waterkoker liggen.
“Dat is vreemd, hij ziet vrijwel niets zonder bril.”
Ze loopt naar de trap. “Peter, ben je thuis?” roept ze. Geen reactie. Het blijft stil in huis. Ze schenkt thee in een kopje en gaat in haar oude, roodbruine rookstoel zitten. Hij zal zo wel thuis komen, denkt Gerda. Maar de thee wordt koud en Peter komt niet thuis. Onrustig loopt ze naar het raam. De straat is verlaten. Ze ijsbeert door de kamer en besluit de buren te vragen of zij Peter hebben gezien. Bij de buren zijn de gordijnen dicht en de deur op slot. Ze klopt aan. Hans, de buurman, schuift verbaasd het gordijn opzij en opent de deur.
“Heb jij Peter toevallig vandaag nog gezien of gesproken?” vraagt Gerda.
“Ja, ik heb ‘m vanmiddag op de fiets weg zien gaan. Hij ging naar de bouwmarkt,” vertelt Hans.
Volledig leeg loopt Gerda het tuinpad af, terug naar huis. Ze voelt zich verloren. Binnen loopt ze direct door naar de slaapkamer. Misschien is ze een afspraak vergeten. Ze rent bijna de trap op, buiten adem als ze boven komt. Ze opent Peters nachtkastje. Zijn agenda ligt er. Maar haar oog valt op een opgevouwen papiertje op zijn kussen. Voorzichtig legt ze de agenda neer en pakt het papiertje. Ze vouwt het langzaam open.
“Als je mij nu nog niet gevonden hebt, moet je even naar zolder gaan!”
Ze rent naar zolder. Haar adem stokt. zijn levenloze lichaam aan het touw, de stilte doorbroken door haar verstikte schreeuw.

Geef een reactie