Het was een koele ochtend, de eerste zonnestralen prikten door de dichte bladeren van het woud. Elias en Sarah ontwaakten in hun tent, het zachte gefluister van de bomen en het gezang van vogels als hun natuurlijke wekker. Ze hadden onrustig geslapen, piekerend over de tovenaar en hoe ze Elowen konden helpen. Ze wilden graag helpen, maar waren ook bang voor wat hen te wachten stond.
Sarah stond al buiten, haar ogen knipperde in het ochtendlicht. Elias was ook wakker en draaide zich onrustig om in zijn slaapzak. Hij probeerde nog wat slaap te pakken, wat niet meer lukte.
“Elowen, wat moeten we doen?” vroeg Sarah uiteindelijk, met trillende stem, “Hoe kunnen we de tovenaar vinden voordat het te laat is?” Elowen gromde, zijn takken schudde heen en weer “Jullie moeten een cryptische opdracht volbrengen om zijn verblijfplaats te ontdekken,” zei ze plechtig. “Het is geen gemakkelijke taak, maar als jullie slagen, zullen jullie de tovenaar vinden.”
Voordat ze meer kon zeggen, verscheen er een lichtgevende vlinder, groter dan alle andere die ze eerder hadden gezien. De vleugels glinsterden in het zonlicht en verspreidden een licht zoete geur. De vlinder cirkelde om Elowen heen en landde toen op een oude, verweerde steen aan haar voeten. Op dat moment begon de steen te gloeien en verschenen er mystieke runen op het oppervlak.
“Dit is de eerste aanwijzing,” zei Elowen, “Jullie moeten de runen ontcijferen. Ze leiden naar de volgende stap van jullie reis.” Elias knielde bij de steen en bestudeerde de symbolen. “Ik herken deze runen niet,” zei hij gefrustreerd. “Hoe moeten we dit lezen?”
Elowen glimlachte, “De runen spreken in raadsels, zoals de tovenaar zelf. Ze zeggen: ‘Zoek de plek waar de zon het water kust, waar de echo van verloren tijden klinkt. Daar wacht het teken van de tovenaar op jullie.’” Sarah herhaalde de woorden zachtjes voor zichzelf en staarde in de verte. “De plek waar de zon het water kust… een meer, misschien?”
“En de echo van verloren tijden,” vervolgde Elias, “zou dat een plek zijn met een oude geschiedenis? Misschien een ruïne of een verlaten dorp?” Elowen knikte instemmend. “Jullie moeten jullie hart en intuïtie volgen. Het woud zal jullie gids zijn.”
Met deze cryptische opdracht verlieten Elias en Sarah de tent en begonnen hun zoektocht. Ze volgden de paden die de lichtgevende vlinders hen wezen, hun ogen speurend naar tekens en aanwijzingen. Elk geluid, elke geur en elke schaduw werden grondig geanalyseerd. De lucht was fris, maar er hing een zweem van onrust in, alsof de natuur hen aanspoorde om haast te maken.
Na uren wandelen door dichtbegroeide bossen en langs kabbelende beekjes, bereikten ze een groot, helder meer. De zon stond hoog aan de hemel en wierp haar stralen op het glinsterende wateroppervlak. Het was een adembenemend uitzicht, maar ze wisten dat ze hier niet alleen voor de schoonheid waren.
“Dit moet de plek zijn,” zei Sarah, terwijl ze rondkeek. “Maar waar is die geschiedenis, die echo van verloren tijden?” Elias liep langs de oever en merkte een oud, vervallen gebouw op, half verborgen tussen de bomen. “Daar,” riep hij. “Misschien is dat de plek waar we moeten zijn.” Ze rende naar de ruïne, Toen ze de oude stenen aanraakten, voelden ze een vreemde energie. De lucht leek dikker en rook vreemd, zoals Elowen had beschreven. “Hier moeten we iets vinden,” fluisterde Sarah. “Iets dat ons dichter bij de tovenaar brengt.” Elias zag een inscriptie op een van de muren, verborgen onder een laag mos. Hij veegde het mos weg en onthulde een symbool: een oude runencirkel met een pijl die naar het meer wees. “Dit is het teken,” zei hij opgewonden. “We moeten het meer ingaan.”
Ze stonden op de oever en keken naar het glinsterende water. Met enige aarzeling stapte ze erin, het koele water omringde hen. Ze zwommen naar het midden van het meer, waar een klein, rotsachtig, eilandje lag. Toen ze het eilandje bereikten, vonden ze een klein tempeltje. Boven op een altaar van stenen, lag een oud boek met een leren omslag. Elias opende het en zag dat het vol stond met vreemde tekens en oude spreuken. “Dit moet het zijn,” zei hij. “Dit zal ons naar de tovenaar leiden.” Met het boek in handen keerden ze terug naar de oever.
Hun reis was nog lang niet voorbij, maar ze hadden nu misschien wel de sleutel tot hun bestemming. Terwijl ze zich wat probeerde af te drogen, voelde Elias plotseling de grond onder zijn voeten trillen. Sarah greep zijn arm, ze keek hem verschrikt aan. “Wat gebeurt er?” vroeg ze, met hoge stem. Elias keek om zich heen en zag de lucht donkerder worden. Wolken pakten zich samen en een koude wind begon te waaien. “Ik denk dat we iets hebben losgemaakt,” zei hij gespannen. Uit het bos klonken plotseling kreten en voetstappen. Ze draaiden zich om en zagen een groep schaduwen tussen de bomen bewegen. Ze voelden hun hart bonzen in hun keel.
“We moeten hier weg,” fluisterde Sarah. Ze renden terug naar hun tent in het bos, bij de grote eik, maar de schaduwen achtervolgden hen. Elias en Sarah voelden de adrenaline door hun aderen pompen terwijl ze zich een weg baanden door het dichte struikgewas. Ze konden de schaduwen bijna voelen, de koude adem in hun nek.

Geef een reactie