Het grothuisje

De ochtend begon zoals elke andere, met het zachte geruis van het water dat door hun grothuisje stroomde en de eerste zonnestralen die hun weg vonden door de opening van de grot. De lucht was fris, maar niet koud, en de vallei baadde in een gouden gloed. Het gezin van zeven, had nog besef van tijd, de zon ging op en ergens ook weer onder. Hoe lang dat duurde, ze hadden geen idee. Ze hadden geen haast, voelde geen enkele druk. Vader was, zoals gewoonlijk als eerste wakker. Hij gooide de huiden aan de kant, rekte zich uit en keek tevreden naar zijn vrouw en hun vijf kinderen.

Het waren kleine mensen, niet langer dan een centimeter of 25, wat het lage plafond van de grothuisje minder beklemmend maakte. De vader, Thorin, een robuuste figuur, met een brede borst, lange armen en een door de zon verweerd gezicht, stak het vuur opnieuw aan met enkele droge takken die de kinderen de vorige dag hadden verzameld. Terwijl de vlammen knetterden, vulde de geur van rook en hout de ruimte, maar ontsnapte snel via een rotsopening boven de vuurplaats. Langzaam werden de anderen ook wakker.

De moeder, Eira, een vrouw met zachte ogen en een vastberaden blik, was al bezig met het voorbereiden van het ochtendmaal, bestaande uit noten, fruit en eieren. Haar handen werkten snel en behendig, terwijl de kinderen, vier jongens en één meisje, zich aankleedden en het koude water over hun gezichten lieten stromen om echt wakker te worden.

Hoewel het leven in de grot eenvoudig was, hing er die ochtend een ongewone spanning in de lucht. Thorin had de nacht ervoor iets vreemds gehoord, een doordringend gehuil dat vanuit de diepten van het bos leek te komen. Hij had het niet aan Eira willen zeggen, haar niet willen verontrusten, maar hij kon de onrust niet van zich afschudden.

“Ga niet te ver vandaag,” waarschuwde Thorin zijn kinderen terwijl ze zich klaar maakten om naar buiten te gaan. De vier jongens, Lev, Tor, Rune en Kian, knikten braaf, terwijl hun jongere zusje, Freya, nieuwsgierig naar haar vader opkeek.
“Waarom, papa?” vroeg Freya, haar ogen groot en vragend.
“Er zijn dingen in het bos,” mompelde Thorin, zonder in details te treden. “Blijf gewoon in de buurt van het huisje.”

De kinderen vertrokken, hun gelach en geroep weerklonk door het rivierdal, terwijl Thorin en Eira zich klaar maakten voor hun dagelijkse taken. De ochtend verstreek rustig, maar de stilte van de natuur was geladen met een onzichtbare dreiging. Tegen de middag, toen de zon hoog aan de hemel stond, kwam Lev, de oudste zoon, teruggerend naar het grothuisje. Zijn ademhaling was snel en hij keek angstig om zich heen.
“Papa! Mama! Er is iets in het bos, iets groots!” Thorin en Eira wisselden bezorgde blikken. Thorin greep zijn speer, die altijd binnen handbereik stond, en liep naar de ingang van de grot. “Blijf hier,” zei hij tegen Eira. “Ik ga kijken.”
Eira knikte, maar haar ogen volgden hem bezorgd. Lev bleef bij zijn moeder, zijn broers en zusje waren in het bos achter gebleven achter, verstopt tussen de bramenstruiken. Thorin bewoog zich snel en stil door het bos, zijn zintuigen gespitst op elke beweging, elk geluid. De bomen stonden dicht op elkaar, hun schaduwen creëerden donkere plekken die perfect waren voor een hinderlaag. Hij kon het niet helpen om steeds over zijn schouder te kijken, alert op elk geluid.

Plotseling hoorde hij het weer: het gehuil. Het was dichtbij, veel dichterbij dan hij had gedacht. Zijn hart sloeg een slag over. Hij vertraagde zijn passen. Zijn ogen speurden de omgeving af. En toen zag hij het. Tussen de bomen door, een paar vurige ogen die hem aanstaarden. Een gigantische wolf, zijn vacht donker als de nacht, zijn tanden ontbloot in een dreigende grimas.

Thorin versteende, zijn speer strak in zijn hand. Hij wist dat hij geen kans had in een direct gevecht, maar hij moest het beest proberen weg te leiden van zijn kinderen. Hij zette langzaam een stap achteruit, maar de wolf gromde laag en zette een paar stappen vooruit, zijn ogen onveranderlijk op Thorin gericht.

Met een plotselinge beweging wierp Thorin zijn speer, niet om de wolf te doden, maar om hem af te leiden. De speer miste doelbewust en sloeg in de grond naast de wolf, die even opschrok en zijn aandacht verlegde. Dat was alles wat Thorin nodig had. Hij draaide zich om en rende, zijn ademhaling snel en onregelmatig, zijn ogen gericht op het pad voor hem. Hij hoorde de wolf achter zich aan komen, zijn zware poten die de grond deden trillen. De afstand tussen hen werd kleiner en kleiner, maar Thorin bleef rennen. Toen hij de rand van het bos bereikte, zag hij Lev en Eira vlakbij het Grothuisje, hun ogen groot en schichtig, ze keken hun vader huilend aan.
“Ga naar binnen!” schreeuwde Thorin, terwijl hij op hen afstormde. “Nu!”

Eira greep Lev en trok hem naar binnen, net op tijd om Thorin binnen te laten, waarna ze de zware houten deur met een klap dichtgooiden. De wolf botste tegen de deur, zijn klauwen schrapend over het hout, zijn gehuil doordringend en vol woede.

Binnenin in het grothuisje, met de deur stevig gesloten, haalde Thorin diep adem. Zijn gezin was veilig, voor nu. Maar de dreiging was nog niet geweken. Terwijl ze dicht bij elkaar stonden, luisterden ze naar het aanhoudende gehuil buiten, beseften ze dat hun veilige haven niet langer ondoordringbaar was. De strijd om hun huis en hun leven was nog maar net begonnen.

Geef een reactie

Ontdek meer van "Het verhaal begint… durf jij verder te lezen?"

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder