Vroeger, op de lagere school, had ik een juf die wel eens ‘vlijt laat te wensen over’ onder mijn schoolrapport schreef. Ik was een dromer en vaak diep in gedachten, waardoor er inderdaad minder uit mijn handen kwam. Als kind dacht ik over van alles na: Waar ga je heen als je doodgaat? Wat was er voordat de wereld bestond? Waarom maken mensen ruzie met elkaar? Allemaal vragen waarvan volwassenen altijd zeiden dat ik me daar maar niet druk over moest maken. Diezelfde mensen, die me adviseerden om me nergens druk over te maken, waren ook degenen die zeiden dat ‘vlijt laat te wensen over liet’, ofwel dat ik lui was.
Als je het dan toch over moeilijke vragen hebt: hoe kan iemand zeggen dat ik me niet druk moest maken en tegelijkertijd beweren dat ik lui was? Dat lijkt me nogal tegenstrijdig.
Een oud gezegde leert ons: luiheid is des duivels oor kussen. Ook de Bijbel spreekt zich, zo lijkt het, uit over luiheid: “Ga naar de mieren, luiaard, kijk hoe ze werken en word wijs” (Spreuken 6:6). Onze christelijke traditie bepaald onze kijk op luiheid. Het is echter gezond om af en toe niets te doen, even een pas op de plaats te maken, terug te kijken, na te denken of gewoon uit te rusten van al die momenten dat je fysiek aan het werk was.
Er bestaan geen luie dagen. Er zijn dagen waarop je op het oog minder productief bent, maar dat wil niet zeggen dat er niets gebeurt. Ook deze momenten zijn nuttig. Je hebt deze dagen nodig om later productiever te zijn.

Geef een reactie