Iedere keer dat Rob me weer eens over zijn wijk vertelde, was ik opgelucht dat het niet mijn wijk was. Terwijl ik ’s ochtends mijn tassen vulde met folders en brieven – meestal reclame en af en toe een verjaardagskaartje – wist ik dat mijn ronde relatief rustig zou verlopen. Maar Rob, had een wijk die je niemand had toegewenst.
“Je gelooft nooit wat er vandaag weer is gebeurd,” zei hij vaak, als we elkaar na onze routes in het depot tegenkwamen en dan kwamen de verhalen. Over Johan, de man met de hond die elke brief in stukken scheurde nog voordat die goed en wel op de mat lag. “Die Rex is agressiever dan een boze belastinginspecteur,” had Rob gegrinnikt, al zat er altijd een vleugje vermoeidheid in zijn stem. Iets van, kan het ook een dag normaal gaan.
Hij vertelde regelmatig over de mensen die hun frustraties op hem hadden afgereageerd, alsof hij persoonlijk verantwoordelijk was geweest voor de inhoud van de post. “Nog meer rekeningen zeker,” was hem regelmatig naar het hoofd geslingerd. Hij had dan zijn schouders opgehaald en gezegd: “Ik ben maar de bezorger, weet je.” Het viel mij wel op dat het hem soms had geraakt, zelfs als had hij dat niet willen toegeven. Het was de manier waarop hij dan keek.
Ik kon me goed voorstellen hoe zwaar het moest zijn om dag in, dag uit geconfronteerd te worden met gesloten deuren, vijandige blikken en zo’n verdomd agressieve hond. In mijn wijk had ik ook wel mijn mindere momenten gehad – wie zat er nu echt wachten op pizzafolders? – maar ik had tenminste nog eens een glimlach of een “dankjewel” gekregen als ik iets afleverde.
Aan het einde van zijn verhalen had Rob altijd zijn hoofd geschud. “Ach, morgen weer een dag,” zei hij dan. Hij zei dat altijd met zo’n kalme, berustende, blik. Ik vond dat altijd welk bewonderingswaardig. Toch, als ik de keuze had gehad, zou ik zijn wijk nooit willen ruilen met de mijne. Laat mij maar lekker door mijn rustige straatjes fietsen.

Geef een reactie