Het was een warme dag in Augustus toen Klaas, in de buurt van Soerabaja, in het toenmalig Nederlands Indië werd geboren. Zijn moeder, Dewi genaamd, was Javaanse, afkomstig uit oud, rijk geslacht, Hendrik, zijn vader was een nederlandse militair. Klaas werd, met de beste bedoelingen, erg beschermd opgevoed. Het gezin woonde in een grote villa,met een ruime verranda. Rondom het huis lag een prachtige tuin. Zijn ouders hadden een aantal bedienden. Zo hadden ze een kok, een tuinman, maar ook een kindermeisje die voor Klaas en Anita, zijn zusje, moest zorgen. Ook had het gezin een aantal paarden. Klaas was, als kind al dol op de paarden, maar helemaal op Arjuna, de zwarte hengst. Het was Anita die mij decenia later vertelde over deze geschiedenis, over alles wat Klaas had meegemaakt.
Afgezien van de bedienden hadden ze weinig contact met de lokale bevolking. Klaas had ook niet veel vriendjes. Zijn wereldje was klein. Het was Klaas en zijn zusje. Klaas voelde zich eenzaam. Klaas kreeg thuis les en werd in zijn tienerjaren voorbereid op zijn toekomst. Hij zou in de voetsporen van zijn vader treden,, het Nederlands Indisch Leger.
De Laatste Brieven van Hendrik
De zon ging langzaam onder boven de dichtbeboste bergen van Sumatra. Hendrik, een jongeman van 25 jaar, zat op een houten kruk in de schaduw van de barakken, zijn pen in de aanslag. Hij was een gewone jongeman uit Zwolle, met een hart vol dromen, maar het lot had hem naar Nederlands-Indië gebracht als soldaat in het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger.
“Lieve Dewi,” schreef hij, “Vandaag voelde ik de hitte heviger dan ooit. Soms mis ik de koelte van onze tuin. Maar weet dat ik hier trots mijn plicht vervul. De wereld is donkerder geworden met de dreiging van oorlog, maar mijn kameraden en ik houden ons sterk.”
Hendrik herinnerde zich nog goed hoe hij zijn zoon met trillende handen een afscheidsknuffel had gegeven voordat hij naar Borneo vertrok. Hij had toen nooit gedacht dat de dreiging van Japan zo snel werkelijkheid zou worden. De overste had hen vandaag verteld dat het KNIL paraat moest staan. De spanning was voelbaar; elke soldaat wist dat de Japanners niet te onderschatten waren.
’s Avonds, onder een hemel vol sterren, praatte Hendrik met zijn beste vriend Rahman, een inheemse Javaanse soldaat. Ze hadden een hechte vriendschap opgebouwd, ondanks de verschillen in taal en achtergrond. “Hendrik,” zei Rahman, “denk je dat we klaar zijn voor wat komt?” Hendrik zweeg even. “Ik weet het niet, Rahman. Maar wat ik wel weet, is dat we er samen doorheen zullen komen.”
Dagen later brak de hel los. De Japanse troepen vielen aan met een ongekende kracht. Hendrik vocht dapper aan de zijde van zijn kameraden, maar de situatie was hopeloos. Het KNIL moest zich uiteindelijk overgeven. Hendrik werd krijgsgevangene, toen nog vastberaden om te overleven, ondanks het harde lot dat hem wachtte.
In de donkere jaren die volgden, hield Hendrik vast aan één ding: de herinnering aan zijn familie en de vriendschap met Rahman. Zijn laatste brieven, geschreven met stukjes houtskool op flarden papier, lieten zien dat hij tot het eind hoop heeft gehouden. Klaas heeft zijn vader nooit meer gezien.

Geef een reactie