Jan was een verstokte roker. Hij stak de ene sigaret aan met het laatste restje van de vorige, een eindeloze cyclus van rook en as. Zijn vingertoppen waren geel van nicotine, zijn kleding doordrongen van die indringende geur. Er hing altijd een walm om hem heen, een tastbare barrière tussen hem en de rest van de wereld. Hij was niet iemand naast wie je vrijwillig ging zitten.
Jan had zich gaandeweg losgemaakt van het sociale leven in het huis. Hij at vaak alleen op zijn kamer, en als je even niet oplette, nam hij een zak chips mee, die hij dan in één moeite door naar binnen werkte. Niet zelden verslikte hij zich, een verstikkende hoest die even door het huis galmde voordat hij weer verder at. Het was moeilijk te geloven dat deze man ooit een degelijke baan en een bijbehorend salaris had gehad. Het leven had hem ingehaald en ingegraven.
Het was tegen negenen. Ik had net de vaatwasser ingeruimd. Als ik hem nu liet draaien, kon de nachtdienst hem aan het begin van hun shift wel leeghalen. Met een blad vol glazen en frisdrank liep ik richting de woonkamer, de bewoners voorzien van een laatste drankje voor de nacht. Daarna besloot ik even bij Jan te kijken.
Hij zat op de rand van zijn bed, een sigaret losjes tussen zijn vingers.
“Niet heel wijs, Jan, dat roken zo op de rand van je bed,” zei ik, mijn stem net iets feller dan ik had bedoeld, “Wil je trouwens wat drinken? Ik heb wat klaarstaan in de woonkamer.”
“Heb je ook bier?”
“Nope, geen bier. Helaas pindakaas!”
“Laat dan maar zitten,” mompelde hij teleurgesteld.
“Maak jij die sigaret even uit? Het voelt niet echt veilig.”
Jan keek me kort aan en sloot de deur, zonder een woord. Ik bleef even staan, twijfelend of ik hier iets van moest zeggen, maar liet het erbij. Terug in de woonkamer stond de televisie nog aan, maar vrijwel iedereen was al naar bed. Ik verzamelde de lege glazen en bracht ze naar de keuken. Toen kwam Jan plots weer zijn kamer uit.
“Mag… mag ik een cola?” vroeg hij schor, gevolgd door een hevige hoestbui.
“Loop maar mee, dan schenk ik het voor je in.” Samen liepen we naar de keuken. “Wil je een groot of een klein glas?”
“Doe maar gewoon.” Ik pakte een glas en zette het neer. Op dat moment klonk er een schelle sirene. De slow whoop. Mijn hart sloeg een slag over. Ik rende de gang in, naar de centrale hal, waar de brandmeldinstallatie hing. Maar nog voordat ik daar aankwam, zag ik het al: rook kringelde langs de deurpost van Jan’s kamer, het rode lampje boven zijn deur brandde fel. Jan zat ondertussen in de woonkamer, nonchalant aan zijn cola en een zak chips. Geen reactie. Geen paniek. Alsof dit niet meer dan een lichte verstoring in zijn routine was. Ik drukte met de achterkant van mijn hand tegen de deur. Te heet. Mijn ademhaling versnelde. Blussen was geen optie. Toen hoorde ik voetstappen achter me, mijn collega van beneden kwam aangerend.
“Shit, man, we moeten iedereen eruit halen!” We werkten snel.
Petra stond verward bij haar kamerdeur. “Wat is dit allemaal voor lawaai?”
“Brand! Blijf daar staan, we komen zo!” Mijn collega nam het voortouw. Kamer voor kamer schudden we de bewoners wakker. Behalve Petra lagen ze allemaal in diepe slaap. Toen iedereen buiten was, liepen we haastig naar het centrale trappenhuis. Via daar gingen we naar beneden, naar de verzamelplaats waar een collega iedereen opving. Toen ik via de hoofdingang naar buiten kwam, keek ze me fronsend aan.
“Waarom hebben jullie niet de brandtrap aan het eind van de gang gebruikt?” Een stilte volgde.
“Erg goede vraag,” zei ik uiteindelijk. “Misschien omdat ik via de hoofdingang ook binnen ben gekomen?”

Geef een reactie