De eerste maand van het nieuwe jaar zit er al weer bijna op. Alle goede voornemens zijn, op enkele na, al weer in de prullebak verdwenen. Januari was een maand van sneeuw en gladde wegen. Het was weer even wennen. Het einde van de maand betekent ook weer ‘de-drie woorden-schrijfuitdaging.’ Doen jullie dit keer ook weer mee?
De woorden voor deze uitdaging zijn:
– marathon
– dweilen
– tap
De Midwinter Marathon
Ruben wist al bij de start dat dit geen heroïsche tocht zou worden. De lucht was koud, hij was wat verkouden en zijn benen voelden alsof iemand er ’s nachts stiekem bakstenen in had gestopt. Toch stond hij daar tussen honderden anderen die allemaal deden alsof ze er zin in hadden.
Het startschot klapte door de straat en de massa begon te schuiven. De eerste kilometers gingen nog wel. Zijn ademhaling vond een ritme, zijn voeten tikten op het asfalt alsof ze wisten wat ze deden. Maar Ruben wist beter: dit was slechts de stilte voor de storm.
Na vijftien kilometer begon zijn lichaam te protesteren. Zijn schouders brandden, zijn onderrug trok scheef, en zijn darmen gromden alsof ze elk moment in staking konden gaan. Hij moest naar adem happen, Langs de route stond een band een vrolijk nummer te spelen, maar het enige wat Ruben hoorde was het bonzen van zijn eigen bloed in zijn oren.
Bij kilometer twintig voelde hij de eerste echte klap. Zijn benen werden zwaar, alsof iemand ze had gevuld met nat cement. Hij probeerde te drinken, maar kreeg het amper door z’n keel De marathon was geen sportieve uitdaging meer, maar een gevecht tegen alles wat in hem schreeuwde om te stoppen. Bij een verzorgingspost stonden vrijwilligers te dweilen omdat lopers hun sportdrank over de grond hadden gegooid. De vloer was glad, plakkerig, smerig. Ruben moest zijn pas inhouden om niet onderuit te gaan. Hij keek naar de dweilen, naar de rommel, naar de vermoeide gezichten van de vrijwilligers en dacht: Dit is precies hoe ik me voel vanbinnen.
Kilometer dertig. Het beruchte vals plat door het bos. Hij knalde er vol tegenaan. Zijn benen deden niet alleen pijn. ze voelden alsof ze elk moment konden breken. Zijn heupen schuurden, zijn knieën knakten, zijn voeten brandden alsof hij op gloeiende kolen liep. Hij begon te vloeken. Hardop. Hij kon het niet schelen wie het hoorde.
De laatste kilometers waren een soort koortsachtige roes. Hij zag wazige gezichten langs de kant, hoorde flarden van aanmoedigingen. Zijn lichaam was op. Zijn hoofd ook. Maar iets in hem. koppigheid, trots, pure domheid, geef het een naam, bleef hem vooruit duwen. En toen zag hij de finish. Niet als een triomfboog, maar als een ontsnapping. Een uitgang uit de hel van Apeldoorn. Hij strompelde eroverheen, zijn gezicht vertrokken, zijn longen in brand. Een vrijwilliger ving hem op voordat hij omviel. Zijn shirt was doorweekt, zijn benen trilden, zijn maag draaide maar hij had het gehaald. Geen euforie. Geen heldenmoment. Alleen een rauwe, stille constatering: Ik ben niet gestopt. Het enige waar hij nu nog zin in had was een tapbiertje. Hij vond dat hij dat nu wel verdiend had.

Laat een reactie achter bij bertjensReactie annuleren