Ik dacht, nee geen grap, laat ik mij iets eerder dan gebruikelijk eens buigen over een drie woorden schrijfuitdaging. Laten we dit keer niet wachten tot 1 April. Ik heb ook nu weer drie willekeurige woorden geprikt en geprobeerd om die in een beetje leuk verhaal aan elkaar te koppelen. Het is toch een beetje Lente.
De woorden voor deze maand zijn:
Blikskaters
Slaapdronken
Ruitensproeivloeistof
Doe jij dit keer ook weer mee?
Het was nog vroeg toen Eva haar fiets uit de schuur haalde. Ze was half slaapdronken, omdat ze de avond ervoor langer dan goed voor haar was was blijven hangen in de stad. Toen ze de frisse lucht inademde, voelde ze meteen dat er iets veranderd was. De kou was minder scherp, de lucht rook anders, alsof de winter eindelijk zijn greep verloor.
Aan de overkant stond haar buurman, Mark, te klooien met zijn auto. Hij had de motorkap open en hield een fles ruitenspoeiervloegstof vast alsof hij niet zeker wist of hij het goed gebruikte.
“Je begint vroeg,” riep Eva terwijl ze haar fiets van het slot haalde.
Mark keek op. “Ja, ik dacht: nieuwe lente, nieuwe poging om dit ding aan de praat te krijgen.” Hij tikte tegen de motorkap. “Maar het blijft een oude bak.”
Eva liep naar hem toe. “Misschien moet je gewoon eens een nieuwe auto kopen?”
“Misschien moet jij gewoon eerder naar bed,” kaatste hij terug. “Je ziet eruit alsof je net uit een wasmachine bent gekomen.” Ze grinnikte.
“Dank je. Precies de motivatie die ik nodig had.” Mark glimlachte, een beetje schuin zoals hij altijd deed.
“Ik bedoel het lief.” Ze keek naar de lucht. De zon was nog zwak, maar aanwezig. “Het wordt mooi vandaag.”
“Ja,” zei Mark. “Perfect weer voor de blikskaters.” Eva rolde met haar ogen.
“Niet weer dat verhaal.”
“Jawel,” zei hij. “Het is traditie. Op de eerste lentedag komen de blikskaters langs. Kleine mannetjes die over de elektriciteitsdraden schaatsen. Let jij straks maar eens goed op!”
“Man, jJe bent 34,” zei Eva. “Je weet dat dat onzin is.”
“Laat me toch,” zei hij. “Iedereen heeft recht op een beetje onzin.” Ze bleef even staan, haar handen in haar jaszakken. Het was vreemd hoe vertrouwd dit voelde hun ochtenden, zijn flauwe grapjes, haar half-serieuze commentaar. Het was nooit iets geweest, nooit meer dan buren die elkaar toevallig aardig vonden. Maar vandaag voelde het anders. Misschien door de lente. Misschien door hem.
“Ga je nog iets doen vandaag?” vroeg Mark.
“Ik dacht een stuk te gaan wandelen,” zei Eva. “Even kijken hoe ver de lente al is.”
“Als je wilt,” zei hij, “loop ik een stukje mee. Ik moet toch even weg van deze auto voordat ik hem in brand steek.” Ze lachte.
“Dat klinkt als een goed idee., ik bedoel dat in de fik steke van deze bak.”
Een uur later liepen ze samen door het park. De bomen waren nog kaal, maar hier en daar zaten knoppen die op springen stonden. Kinderen renden over het gras, iemand gooide een frisbee, een hond blafte naar een duif die, zo leek het, nergens van onder de indruk was.
“Het is elk jaar hetzelfde,” zei Mark. “Je denkt dat de winter nooit ophoudt, en dan ineens… dit.” Eva knikte.
“Het voelt alsof alles weer kan beginnen.” Hij keek haar aan.
“Misschien geldt dat ook voor mensen.” Ze voelde haar wangen warm worden, maar ze keek niet weg.
“Misschien wel.” Terwijl ze verder liepen, zonder haast, zonder plan, voelde Eva iets wat ze lang niet had gevoeld: dat de lente niet alleen buiten begon, maar ook ergens vanbinnen.

Geef een reactie