Mei is altijd een bijzondere maand, met al die vrije dagen, na Koningsdag, wat natuurlijk in April valt, volgen Bevrijdingsdag, Hemelvaartsdag en dan tot slot Pinksteren. Wij moeten nog even wachten tot de Kerst. Of we moeten tussen door besluiten dat Dierendag ook een nationaal erkende feestdag wordt.
Aan het eind van de maand prik ik altijd drie willekeurige woorden en probeer daarmee een beetje logisch verhaal mee te maken. Dit keer heb ik, ouderwets, het woordenboek maar weer eens gepakt. De woorden die er uitkwamen zijn ditmaal: sleeptouw, cel en salade.
Noodweer
De eerste druppels vallen op mijn jas als ik het smalle bospad afloop. In mijn rugzak zit alleen een bakje salade dat ik na mijn werk niet heb opgegeten. De lucht boven mij is donkergrijs geworden, alsof iemand een gordijn voor de zon heeft getrokken.
Dan klinkt er een harde dreun. Ik schrik zo hevig dat ik bijna uitglijd.
“Dat was dichtbij,” mompel ik. De wind trekt aan de bomen. Takken kraken. Binnen enkele seconden verandert de regen in een wolkbreuk. Het is het begin van een zware onweerbui met veel regen en zware windstoten. Ik versnel mijn pas. Plotseling hoor ik, boven de wind uit iemand hard roepen.
“Help!” Ik blijf staan. Mijn hart bonst in mijn keel.
“Wie is daar?” roep ik.
“Hier! Achter de oude schuur!” Ik ren door de modder naar het geluid. Achter de schuur staat een oude terreinwagen scheef weggezakt in een diepe kuil. Een man zwaait wild met zijn armen.
“Mijn auto zit vast!” roept hij. “Ik heb een sleeptouw, maar ik krijg hem er niet uit!” Een bliksemschicht verlicht het bos. Voor een seconde lijkt alles wit.
“Waar ligt het sleeptouw?” vraag ik.
“In de kofferbak!” Samen trekken we het zware sleeptouw eruit. De regen slaat in ons gezicht. Terwijl ik buk om het touw vast te pakken, voel ik iets in mijn rugzak verschuiven. Het bakje salade dat ik na mijn werk niet had opgegeten, is waarschijnlijk inmiddels één grote groene brij geworden.
Terwijl de man het touw vastmaakt, hoor ik ineens een vreemd geluid. Krrr…
Het komt uit de schuur. “Heeft u dat gehoord?” vraag ik. De man knikt langzaam. Nog een bliksemflits. Achter een kapotte ruit zie ik iets bewegen.
“Er zit iemand binnen,” fluister ik. We lopen voorzichtig naar de deur. Die hangt scheef in de scharnieren. Ik duw hem open.
Het ruikt naar vocht en oud hout. In het midden van de ruimte staat iets wat lijkt op een kleine cel, gemaakt van dikke metalen spijlen.
“Wat is dit voor plek?” vraagt de man. Dan klinkt er opnieuw een stem.
“Laat me eruit!” Mijn adem stokt. In de donkere cel zit een jongen van ongeveer zestien jaar oud.
“Wie heeft jou opgesloten?” vraag ik.
“Ik ben gevlucht voor het onweer en de deur viel dicht,” zegt hij haastig. “Het slot zit vast!” De wind giert door de kapotte ramen. Buiten dondert het opnieuw. “Geen paniek,” zeg ik. “We halen je eruit.” Met veel moeite wrikken we het verroeste slot los. Eindelijk springt de deur open. De jongen stapt naar buiten. “Bedankt,” zegt hij opgelucht. Op dat moment wordt de storm iets minder hevig. Samen lopen we terug naar de auto. De regen neemt af en in de verte verschijnt een streep licht aan de horizon.
“”Wat een avond,” zegt de man. Ik knik, maar kijk nog één keer om naar de schuur. In een van de kapotte ramen brandt ineens een zwak geel licht.

Geef een reactie