Het was weer zo’n dag. Mijn fietstassen zaten vol met enveloppen, en ik wist wat ze zouden brengen: kreunen, klagen en gesloten deuren. Mijn rondes door deze wijk, aan de rand van de stad, waren altijd een uitdaging. Het was een wijk met allemaal oude, vrijstaande huizen, met grote voortuinen, waar om een of andere reden altijd troep lag of ergens een auto, zonder wielen op kistjes stond. Het was niet dat het werk fysiek zwaar was, maar omdat ik voelde hoe elk stukje post dat door een brievenbus gleed een last leek te worden voor de mensen aan de andere kant.
Bij de eerste stop ging de deur al open voordat ik mijn hand naar de brievenbus had uitgestoken. “Nog meer rekeningen zeker,” beet de man me toe. Ik hield mijn mond, gaf een korte knik en schoof de post naar hem toe. De deur klapte dicht. Soms vroeg ik me af of ze beseffen dat ik het ook niet altijd makkelijk vind.
De ochtend ging zo verder. Elke keer als ik bij een brievenbus stond, vroeg ik me af wat er gebeurde met de brieven als ik ze in de brievenbus schoof. Werden ze geopend met tegenzin, genegeerd, of met gevloek verscheurd? Het voelde alsof ik verantwoordelijk werd gehouden voor het nieuws dat ik bracht, hoewel ik er niets mee te maken had.
En toch, tussen al die ontevreden gezichten, waren er momenten die me bleven motiveren. Zoals die keer dat ik een kaartje afleverde bij een oudere dame. Ze stond me op te wachten met een glimlach. “Wat fijn dat er nog post is die je dag een beetje meer kleur geeft,” zei ze toen. Ik kon die woorden nog steeds horen als ik het nodig had.
Terwijl ik de laatste envelop van de dag door een brievenbus duwde, hoorde ik een hond achter de deur. De enveloppe zat nog maar half in de brievenbus of de hond schuurde de enveloppe in stukken. Ik hoorde een man enorm schelden. Ik draaide me snel om en haaste me de straat uit.

Geef een reactie