Het was weer zo’n dag. Ik zat in mijn stoel, met een kop koffie in mijn hand en mijn trouwe hond Rex aan mijn voeten, toen ik het bekende geratel van die fiets hoorde. De postbode. Ik wist wat hij kwam brengen: rekeningen, herinneringen, of andere brieven waar niemand op zit te wachten. Rex spitste zijn oren en begon zacht te grommen.
De postbode stapte af bij mijn voordeur. Ik liep naar het raam en keek hoe hij met dat onvermijdelijke stapeltje enveloppen stond te worstelen. Waarom komen ze eigenlijk nog? dacht ik bij mezelf. Alles is tegenwoordig online. Maar nee hoor, hier was hij weer, alsof hij het leuk vond om ellende door de brievenbus te duwen.
Ik hoorde de enveloppen door de gleuf schuiven, en Rex stond al paraat. Nog voordat ik iets kon zeggen, schoot hij naar de deur. Zijn tanden grepen de enveloppen alsof hij wist wat erin zat. “Rex! Laat los!” brulde ik, maar het was te laat. De brieven waren al gescheurd in duizend stukjes, verspreid over de vloer.
Ik opende de deur en keek de postbode na, die alweer op zijn fiets stapte. Hij had niets gezegd, maar ik zag hoe hij snel wegfietste, alsof hij blij was dat hij hier niet langer hoefde te blijven. “Volgende keer blijf je zitten,” mopperde ik tegen Rex, terwijl ik begon op te ruimen. Maar diep vanbinnen wist ik dat ik niet echt boos op hem kon zijn. Hij voelde de frustratie net zo goed als ik.
Terwijl ik de stukken papier in de prullenbak gooide, dacht ik: misschien moet ik die postbode eens iets vriendelijks zeggen. Hij kan er tenslotte ook niks aan doen. Maar ach, de kans dat ik dat echt doe, is net zo klein als dat er ooit een brief komt waar ik wél blij van word.

Geef een reactie